Ter voorbereiding van de heilige Mis op dinsdag 11-02-2020

Ter voorbereiding van de heilige Mis op dinsdag 11-02-2020

Uit een brief van de heilige maagd Bernadette Soubirous († 1879)

Een Dame heeft tot mij gesproken

Toen ik mij op zekere dag naar de oever van de rivier de Gave begaf om samen met twee meisjes hout te sprokkelen, hoorde ik een geruis. Ik keerde mij naar de weide, maar ik zag dat de bomen bladstil waren. Toen hief ik mijn hoofd op en keek naar de grot. Ik zag een Dame, in witte kleren gehuld: zij droeg een stralend wit gewaad met blauwe gordel en had op beide voeten een gele roos in dezelfde kleur als haar rozenkrans.

Toen ik dat zag, wreef ik mijn ogen uit, omdat ik dacht dat ik me vergiste. Ik stak mijn hand nu in mijn zak, waar ik mijn rozenkrans vond. Ik wilde ook een kruisteken maken, maar kon mijn hand niet optillen, ze viel weer naar beneden. Toen die Dame echter een kruisteken maakte, probeerde ik dat ook, mijn hand trilde, maar uiteindelijk lukte het mij. Tegelijkertijd begon ik de rozenkrans te bidden, terwijl ook de Dame de kralen van haar rozenkrans door haar vingers liet glijden zonder haar lippen te bewegen. Toen ik de rozenkrans gebeden had, verdween de verschijning onmiddellijk.

Ik vroeg aan de twee meisjes of zij soms iets gezien hadden. Zij zeiden echter van niet en vroegen mij of ik hun iets te zeggen had. Ik vertelde hun dat ik een Dame gezien had, in witte kleren gehuld, maar dat ik niet wist wie ze was. Ik drong er echter bij haar op aan hierover te zwijgen. Zij zeiden me toen dat ik niet meer daarheen terug mocht gaan. Dat weigerde ik. Ik keerde ’s zondags terug, omdat een innerlijke kracht me ertoe aanzette.

Die Dame sprak pas de derde keer tot mij en vroeg mij, of ik niet gedurende veertien dagen naar haar wilde terugkeren. Ik zei dat het goed was. Ze zei mij ook dat ik de priesters moest zeggen voor haar een kapel te laten bouwen. Toen vroeg zij mij uit de bron te drinken. Omdat ik geen bron zag, ging ik naar de rivier de Gave. Zij gaf mij te kennen dat zij niet die bron bedoelde en met een vinger wees zij de bron aan. Toen ik daarheen gegaan was, vond ik alleen maar een beetje vuil water. Ik stak mijn hand erin, maar kon er niet van scheppen. Toen begon ik te krabben en eindelijk kon ik een beetje water putten. Ik wierp het driemaal weg en de vierde keer kon ik eindelijk drinken. De verschijning verdween toen en ik ging naar huis.

Gedurende veertien dagen ging ik echter terug en de Dame verscheen mij elke dag behalve op maandag en vrijdag. Zij gaf mij herhaaldelijk de opdracht dat ik de priesters moest zeggen, daar ter plaatse een kapel te bouwen en dat ik naar de bron moest gaan om mij te wassen en te bidden voor de bekering van de zondaars. Meermalen vroeg ik haar wie zij was, maar zij glimlachte alleen maar. Uiteindelijk zei zij, terwijl zij haar handen omhooghief en haar ogen ten hemel sloeg, dat zij de Onbevlekte Ontvangenis was.

Binnen die veertien dagen openbaarde zij mij ook drie geheimen die zij mij ten strengste verbood verder te vertellen. En deze heb ik dan ook tot nu toe trouw in mijn hart bewaard.