Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 151-175)

Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 151-175)

Aantekeningenboek I

151 ? Toen ik op een keer met zuster N.47) in de keuken was, werd ze een beetje boos op mij. Als straf gaf ze mij het bevel op de tafel te gaan zitten terwijl ze zelf doorging met hard te werken: schoonmaken en schrobben. Terwijl ik daar zat, kwamen de zusters langs. Ze stonden er verbaasd over dat ze mij daar zittend op de tafel aantroffen en ieder deed haar zegje. De een zei dat ik een leegloper was en een ander: “Wat een excentriekeling!” Ik was in die tijd postulante. Anderen zeiden: “Wat moet dat voor een zuster worden?” Toch kon ik er niet vanaf komen omdat de zuster mij bevolen had om daar uit kracht van de gehoorzaamheid48) te zitten totdat zij mij zei er af te komen. Werkelijk, alleen God weet hoeveel acten van zelfverloochening dit kostte. Ik dacht dat ik zou sterven van schaamte. God liet zulke dingen vaak toe omwille van mijn innerlijke vorming, maar Hij vergoedde mij voor deze vernedering door een grote vertroosting. Tijdens het lof zag ik Hem in grote schoonheid. Jezus keek vriendelijk naar mij en zei: “Mijn dochter, wees niet bang voor lijden. Ik ben met je.”

152 Op een keer had ik nachtdienst.49) Ik leed geestelijk zwaar vanwege het schilderen van de afbeelding. Ik wist niet langer waarheen ik mij moest wenden omdat ze mij er voortdurend van poogden te overtuigen dat het hele geval een inbeelding was. Aan de andere kant zei een priester dat God misschien door middel van deze afbeelding aanbeden wilde worden en dat ik daarom moest proberen die te laten schilderen. Ondertussen raakte mijn ziel buitengewoon uitgeput. Toen ik de kleine kapel binnenkwam, bracht ik mijn hoofd dicht naar het Tabernakel toe, klopte (73) en zei: “Jezus, kijk naar de grote moeilijkheden die ik ondervind vanwege het schilderen van deze afbeelding.” Ik hoorde een stem uit het Tabernakel: “Mijn dochter, je lijden zal niet veel langer duren.”

153 Op een dag zag ik twee wegen. De ene was breed, met zand en bloemen bedekt, vol vreugde, muziek en alle soorten plezier. Er liepen mensen op die aan het dansen waren en bezig waren zich te vermaken. Ze bereikten het einde zonder zich daarvan bewust te zijn.

Aan het einde van de weg was een vreselijke rotswand. Dat was de poel van de hel. De zielen vielen er blindelings in. Zoals ze gewandeld hadden, zo vielen ze. Hun aantal was zo groot dat het onmogelijk was ze te tellen. Ik zag de andere weg of beter gezegd een pad, want het was smal en bezaaid met dorens en rotsen. De mensen die erop wandelden, hadden tranen in hun ogen en alle soorten lijden overkwam hen. Sommigen vielen neer op de rotsen, maar ze stonden onmiddellijk op en gingen verder. Aan het einde van de weg was een prachtige tuin vol van alle mogelijk geluk en al deze zielen gingen daar binnen. Op het allereerste moment vergaten ze al hun lijden.

154 Toen er op een keer aanbidding was in het klooster van de zusters van de Heilige Familie50), ging ik daar ’s avonds met een van onze zusters heen. Zo spoedig als ik de kapel binnenkwam, vervulde de tegenwoordigheid van God mijn ziel. Ik bad zoals ik dat bij bepaalde gelegenheden doe, zonder een woord te zeggen. Plotseling zag ik de Heer die tegen mij zei: “Weet dat je, als je de zaak van het schilderen van de afbeelding en het hele werk van de barmhartigheid verwaarloost, op de dag van het oordeel over een grote menigte zielen verantwoording zult moeten afleggen.” Na deze woorden van Onze Lieve Heer bekroop een zekere vrees mijn ziel.

Ontsteltenis nam bezit van mij. Wat ik ook probeerde, ik kon mijzelf niet tot kalmte brengen. Deze woorden bleven in mijn oren weerklinken. Ik zal dus op de dag van het oordeel niet alleen voor mijzelf verantwoording af moeten leggen, maar ook voor de zielen van anderen. Deze woorden staken mij diep in het hart. Toen ik naar huis terugkeerde, ging ik naar de kleine Jezus.51) Ik viel met mijn gezicht op de grond voor het Heilig Sacrament neer en zei tegen de Heer: “Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt, maar ik smeek U om altijd met mij te zijn en mij de kracht te geven om Uw heilige wil te doen. Want U kunt alles doen terwijl ik uit mijzelf niets kan doen.”

155 (74) ? Het overkomt me nu al gedurende enige tijd dat ik het onmiddellijk in mijn ziel voel als iemand voor mij aan het bidden is. Ik word het eveneens in mijn ziel gewaar als een of andere ziel mij om gebed vraagt, zelfs alhoewel ze er niet met mij over spreken. Het gevoel is een zekere onrust, alsof iemand mij roept. Als ik bid, verkrijg ik vrede.

156 ? Op een keer verlangde ik er heel erg naar om de Heilige Communie te ontvangen, maar ik had een bepaalde twijfel en ik ging niet. Ik leed hier heel erg onder. Het leek alsof mijn hart uit elkaar zou barsten van de pijn. Toen ik aan het werk ging en mijn hart vol bitterheid was, stond Jezus plotseling naast me en zei: “Mijn dochter, laat de Heilige Communie niet na tenzij je goed weet dat je een ernstige val maakte. Maar los hiervan moet geen twijfel je ervan weerhouden om je met Mij te verenigen in het mysterie van Mijn liefde. Je kleine fouten zullen in Mijn liefde verdwijnen als een strootje dat in een grote vuurhaard gegooid wordt. Weet dat je Mij veel verdriet doet als je in gebreke blijft om Mij in de Heilige Communie te ontvangen.”

157 ? Toen ik ’s avonds de kleine kapel binnenkwam, hoorde ik deze woorden in mijn ziel: “Mijn dochter, overweeg deze woorden: ‘En door doodsangst bevangen, bad Hij nog vuriger.” Toen ik hier dieper over na begon te denken, stroomde er veel licht in mijn ziel. Ik leerde hoezeer we volharding nodig hebben in het gebed en dat onze redding vaak van zulk moeitevol gebed afhangt.

158 ? Toen ik in Kiekrz was [1930] om een van de zusters 52) voor korte tijd te vervangen, liep ik op een middag door de tuin heen en hield stil aan de oever van het meer. Ik stond daar gedurende lange tijd en nam mijn omgeving in ogenschouw. Plotseling zag ik de Heer Jezus dichtbij mij. Hij zei vriendelijk tegen mij: “Dit heb Ik allemaal voor jou geschapen, Mijn bruid. Weet dat al deze schoonheid niets is vergeleken met wat Ik voor jou in de eeuwigheid heb voorbereid.” Mijn ziel werd door zo’n vertroosting overstroomd dat ik daar tot aan de avond bleef. Het leek een kort ogenblik voor mij. Het was mijn vrije dag die voor een eendaagse retraite53) bestemd was, (75) dus ik was helemaal vrij om mijzelf aan gebed te wijden. O, hoe achtervolgt de oneindig goede God ons met Zijn goedheid! Het gebeurt vaak dat de Heer mij de grootste genaden verleent wanneer ik ze helemaal niet verwacht.

159   ? O, Heilige Hostie, door de gouden kelk voor mij omsloten

Dat ik door de uitgestrekte woestenij van de ballingschap

Mag voorbijtrekken, zuiver, onbevlekt en onbezoedeld

O, schenk dat dit door de kracht van Uw liefde tot stand mag komen

O Heilige Hostie, betrek Uw woning in mijn ziel

O Gij, zuiverste liefde van mijn hart

Door Uw schittering wordt het duister verdreven

Weiger Uw genade niet aan een nederig hart

O Heilige Hostie, verrukking van heel de hemel

Alhoewel Uw schoonheid omsluierd is

Gevangen genomen in een kruimel brood

Scheurt een sterk geloof die sluier

160 ? De kruistochtendag54) die op de vijfde van de maand gehouden wordt, viel deze keer op de eerste vrijdag van de maand. Dit was mijn dag om de wacht te houden voor de Heer Jezus. Het was mijn taak om voor alle beledigingen en akten van oneerbiedigheid genoegdoening te geven voor de Heer en om te bidden dat er op deze dag geen heiligschennis zou worden gepleegd. Op deze dag vlamde er in mijn geest bijzondere liefde voor de Eucharistie op. Het leek me alsof ik in een oplaaiend vuur was veranderd. Toen ik de Heilige Communie zou ontvangen, viel een tweede Hostie op de mouw van de priester. Ik wist niet welke Hostie ik moest ontvangen. Nadat ik een ogenblik geaarzeld had, maakte de priester een ongeduldig gebaar met zijn hand om me te vertellen dat ik de Hostie behoorde te ontvangen. Toen ik de Hostie ontving die hij me gaf, viel de andere in mijn handen. De priester liep langs de communiebank om de Communie uit te delen en ik hield de Heer Jezus de hele tijd in mijn handen. Toen de priester mij opnieuw naderde, hief ik de Hostie voor hem op om deze terug te leggen in de kelk. Want toen ik Jezus de eerste keer ontvangen had, kon ik niet spreken voordat ik de Hostie genuttigd had. Ik kon hem dus niet vertellen dat de andere gevallen was. Maar terwijl ik de Hostie (76) in mijn handen hield, voelde ik zo’n krachtige liefde dat ik gedurende de rest van de dag niet kon eten of tot bezinning kon komen. Ik hoorde deze woorden vanuit de Hostie: “Ik wenste in jouw handen te rusten, niet alleen in je hart.” Op dat moment zag ik de kleine Jezus. Maar toen de priester naderbij kwam, zag ik opnieuw alleen weer de Hostie.

 

161       O Maria, onbevlekte Maagd

Zuiver kristal voor mijn hart

U bent mijn kracht, o stevig anker

U bent schild en bescherming voor het zwakke hart

O Maria, u bent zuiver, onvergelijkbaar zuiver

Maagd en Moeder tegelijk

U bent schoon als de zon, zonder smetten

Uw ziel kan met niets vergeleken worden

Uw schoonheid heeft het oog van de driemaal Heilige verheugd

Hij daalde af van de hemel, verliet Zijn eeuwige troon

Nam lichaam en bloed aan uit uw hart

Lag negen maanden verborgen in het hart van een Maagd

 

O Moeder, Maagd, allerzuiverste lelie

Uw hart was Jezus’ eerste Tabernakel op aarde

Alleen omdat geen nederigheid dieper was dan de uwe

Werd u verheven boven de engelenkoren en boven alle heiligen

O Maria, mijn lieve Moeder

Ik geef u mijn ziel, mijn lichaam en mijn arme hart

Wees de behoedster van mijn leven

In het bijzonder in het uur van de dood, in de laatste strijd

 

162 (77) J.M.J.                     Jezus, ik vertrouw op U                        1 januari 1937

Tabel van het inwendig bestuur van de ziel. Bijzonder gewetensonderzoek: vereniging met de barmhartige Christus. Oefening: inwendige stilte, strikte inachtneming van de stilte.

Het geweten

januari           God en de ziel: stilte. Overwinningen 41, nederlagen 4.                                   Schietgebed: maar Jezus zweeg stil.

februari        God en de ziel: stilte. Overwinningen 36, nederlagen 3.                                   Schietgebed: Jezus, ik vertrouw op U.

maart             God en de ziel: stilte. Overwinningen 51, nederlagen 2.                                   Schietgebed: Jezus, laat mijn hart in liefde ontbranden.

april                      God en de ziel: stilte. Overwinningen 61, nederlagen 4.                                            Schietgebed: met God kan ik alle dingen doen.

mei                 God en de ziel: stilte. Overwinningen 92, nederlagen 3.                                   Schietgebed: in Zijn Naam is mijn kracht.

juni                 God en de ziel: stilte. Overwinningen 64, nederlagen 1.                                   Schietgebed: alles voor Jezus.

juli                   God en de ziel: stilte. Overwinningen 62, nederlagen 8.                                   Schietgebed: Jezus, rust in mijn hart.

augustus       God en de ziel: stilte. Overwinningen 88, nederlagen 7.                                   Schietgebed: Jezus, U weet…

september   God en de ziel: stilte. Overwinningen 99, nederlagen 1.                                   Schietgebed: Jezus, verberg mij in Uw hart.

oktober         God en de ziel: stilte. Overwinningen 41, nederlagen 3.                                   Schietgebed: Maria, verenig mij met Jezus.

november    God en de ziel: stilte. Overwinningen, nederlagen.                                                             Schietgebed: o mijn Jezus, ontferm U!

december    God en de ziel: stilte. Overwinningen, nederlagen.

Schietgebed: wees gegroet, levende Hostie!

 

163 (78) J.M.J.                                                                                                Het jaar 1937

Algemene oefeningen

? O allerheiligste Drieëenheid! Zoveel keren als ik ademhaal, zoveel keren als mijn hart slaat, zoveel keren als mijn bloed door mijn lichaam pulseert, zoveel duizend keren wil ik Uw barmhartigheid verheerlijken.

? Ik wil volledig in Uw barmhartigheid omgevormd zijn en Uw levende weerspiegeling zijn, o Heer. Moge de grootste van alle goddelijke eigenschappen, die van Uw ondoorgrondelijke barmhartigheid, door mijn hart en ziel heengaan naar mijn naaste.

Help mij, o Heer, dat mijn ogen barmhartig mogen zijn, zodat ik nooit op  basis van de uiterlijke schijn zal verdenken of oordelen, maar kijk naar wat mooi is in de zielen van mijn naasten en hen te hulp kom.

Help mij dat mijn oren barmhartig mogen zijn, zodat ik acht mag slaan op de noden van mijn naasten en niet onverschillig zal zijn voor hun pijnen en gekerm.

Help mij, o Heer, dat mijn tong barmhartig zal zijn, zodat ik nooit negatief over mijn naaste zal spreken, maar een woord van troost en vergeving zal hebben voor allen.

Help mij, o Heer, dat mijn handen barmhartig mogen zijn en gevuld met goede werken, zodat ik alleen goed zal doen aan mijn naasten en zelf de moeilijke en inspannende taken op mij zal nemen.

Help mij, dat mijn voeten barmhartig zijn, zodat ik mij zal haasten om mijn naaste bij te staan en mijn eigen vermoeidheid en afmatting overwin. Mijn ware rust ligt in de dienst aan de naaste.

Help mij, o Heer, dat mijn hart barmhartig mag zijn, zodat ik zelf alle lijden van mijn naaste mag voelen. Ik wil mijn hart aan niemand weigeren. Ik zal zelfs oprecht zijn met degenen waarvan ik weet dat ze mijn vriendelijkheid zullen misbruiken. Ik zal mijzelf opsluiten in het allerbarmhartigste hart van Jezus. Ik zal mijn eigen lijden in stilte dragen. Moge Uw barmhartigheid, o Heer, op mij rusten.

? U hebt mij zelf bevolen de drie graden van barmhartigheid te beoefenen. De eerste: de daad van barmhartigheid van allerlei aard. De tweede: het woord van barmhartigheid. Als ik geen werk van barmhartigheid kan doen zal ik door mijn woorden helpen. De derde: gebed. Als ik geen barmhartigheid kan tonen door middel van daden of woorden kan ik dat altijd doen door te bidden. Mijn gebed steekt juist  daar een helpende hand toe waar ik niet in lichamelijke zin hulp kan verlenen. O Jezus, vorm mij om in Uzelf, want U kunt alle dingen doen.

 

[vier bladzijden zijn blanco gelaten] 55)

 

 

164 (83) ? J.M.J.                                                                                      Warschau, 1933

Proeftijd voor de eeuwige geloften 56)

Toen ik hoorde dat ik naar de proeftijd zou gaan, klopte mijn hart van vreugde bij de gedachte aan zo’n reusachtig grote genade [als] die van de eeuwige geloften. Ik ging voor het Heilig Sacrament staan. Toen ik in een dankgebed verzonk, hoorde ik deze woorden in mijn ziel: “Mijn kind, jij bent Mijn vreugde. Jij bent de troost van Mijn hart. Ik verleen je zoveel genaden als je dragen kunt. Spreek zo vaak als je Mij blij wilt maken tot de wereld over Mijn grote en ondoorgrondelijke barmhartigheid.”

165 Een paar weken voordat mij over de proeftijd verteld was, ging ik een ogenblik de kapel binnen. Jezus zei tegen mij: “Op ditzelfde moment zijn de oversten bezig te beslissen welke zusters de eeuwige geloften zullen gaan afleggen. Niet aan ieder van hen zal deze genade verleend worden, maar dit is hun eigen schuld. Wie van kleine genaden geen gebruik maakt, zal geen grote ontvangen. Maar aan jou, Mijn kind, wordt deze genade gegeven.” Vreugde maakte zich van mijn ziel meester, want een paar dagen eerder had een van de zusters tegen mij gezegd: “Zuster, jij zult niet naar de derde proeftijd gaan. Ik zal er zelf voor zorgen dat het je niet toegestaan zal worden je geloften af te leggen.” Ik zei niets tegen de zuster, maar voelde grote pijn die ik zo goed als ik kon trachtte te verbergen.

O Jezus, hoe wonderlijk zijn Uw wegen! Ik zie nu dat mensen uit zichzelf erg weinig kunnen doen, want ik hield mijn proeftijd wel zoals Jezus mij gezegd had.

166 Ik vind altijd licht en geestkracht in het gebed, alhoewel er ogenblikken zijn die zo veel vergen en zo pijnlijk zijn dat het soms moeilijk is om je voor te stellen dat deze dingen in een klooster kunnen gebeuren. Wonderlijk genoeg laat God ze soms toe, maar altijd om deugd in een ziel aan het licht te brengen of te ontwikkelen. Dat is de reden voor beproevingen.

167 (84) Vandaag [november 1932] kwam ik in Warschau aan voor de derde proeftijd. Na een hartelijke ontmoeting met de lieve moeders ging ik voor een ogenblik naar de kleine kapel. Plotseling vervulde Gods tegenwoordigheid mijn ziel en ik hoorde deze woorden: “Mijn dochter, Ik verlang dat je hart gevormd wordt naar het voorbeeld van Mijn barmhartig hart. Je moet helemaal doordrenkt zijn van Mijn barmhartigheid.”

Lieve moeder meesteres [Margaret]

vroeg me gelijk of ik dat jaar al een retraite gehouden had en ik zei nee. “Dan moet je eerst een retraite houden van tenminste drie dagen.” God zij dank was er in Walendow57) een achtdaagse retraite waaraan ik kon deelnemen. Maar er ontstonden moeilijkheden met betrekking tot mijn vertrek voor deze retraite. Een zeker iemand was er heel erg op tegen dat ik zou gaan en het [leek] al zo dat ik niet zou gaan. Na het avondeten ging ik naar de kapel voor een vijf minuten aanbidding. Plotseling zag ik de Heer Jezus die tegen mij zei: “Mijn dochter, Ik bereid vele genaden voor je voor die je gedurende deze retraite waar je morgen aan zult beginnen, zult ontvangen.” Ik antwoordde: “Jezus, de retraite is al begonnen en men gaat er van uit dat ik er niet naar toe ga.” Hij zei tegen mij: “Maak je klaar om er heen te gaan, want je zult morgen aan de retraite beginnen. Wat je vertrek aangaat, Ik zal dat met de oversten regelen.” In een oogwenk was Jezus verdwenen. Ik begon mij af te vragen hoe dit zou gaan gebeuren. Maar na een moment verwierp ik al zulke gedachten en wijdde de tijd die ik had aan gebed terwijl ik de Heilige Geest om licht smeekte om de totale ellende die ik ben, te kunnen zien.

Na een poosje verliet ik de kleine kapel om aan mijn werk te gaan. Spoedig riep moeder generaal-overste [Michaëla] mij en zei: “Zuster, je zult vandaag met moeder Valeria naar Walendow gaan zodat je morgen aan de retraite kunt beginnen. Gelukkig is moeder Valeria hier en kunnen jullie samen gaan.” Binnen twee uur was ik al in Walendow. Ik dacht een ogenblik in mijzelf na en erkende dat alleen Jezus de dingen op zo’n manier tot stand kan brengen.

168 (85) Toen de persoon die aan mijn deelname aan de retraite zo krachtig tegenstand geboden had mij zag, liet ze verrassing en ongenoegen blijken. Ik schonk daar geen aandacht aan. Ik groette haar hartelijk en ging de Heer bezoeken om te vernemen hoe ik mij gedurende de retraite moest gedragen.

169 Mijn gesprek met de Heer Jezus voorafgaand aan de retraite. Jezus vertelde mij dat deze retraite een beetje anders zou zijn dan de andere. “Je zult ernaar streven een diepe vrede te behouden met betrekking tot je omgang met Mij. Ik zal alle twijfels in dit opzicht wegnemen. Ik weet dat je nu, terwijl Ik tot je spreek, gerust bent, maar op het ogenblik dat Ik met spreken ophoud, begin je naar twijfels te zoeken. Maar Ik wil dat je weet dat Ik je ziel in zo’n graad zal bevestigen dat zelfs al zou je verontrust willen zijn, dat niet in je macht zal liggen.

Als bewijs dat Ik het ben die met je spreek, zul je op de tweede dag van de retraite te biechten gaan bij de priester die de conferentie houdt. Je zult zo spoedig als hij met zijn conferentie klaar is naar hem toegaan en hem al je twijfels over Mij voorleggen.

Ik zal je door zijn mond antwoorden en dan zullen je angsten ophouden.  Neem tijdens deze retraite zo’n volledige stilte in acht dat het zal zijn alsof er niets om je heen bestaat. Je zult alleen tot Mij en tot je biechtvader spreken. Je zult je oversten alleen om boetedoeningen vragen.” Ik voelde oneindige vreugde omdat de Heer mij zulke vriendelijkheid betoonde en Zichzelf ten behoeve van mij zo zeer neerboog.

170 De eerste dag van de retraite. Ik probeerde ’s morgens als eerste in de kapel te zijn. Voor de meditatie had ik een beetje tijd voor gebed tot de Heilige Geest en Onze Lieve Vrouw. Ik smeekte de Moeder van God ernstig om voor mij de genade van getrouwheid aan deze inwendige inspiraties en van het trouw uitvoeren van de wil van God, wat die ook zou mogen zijn, te verkrijgen. Ik begon deze retraite met een zeer bijzonder soort moed.

171 (86) Strijd om de stilte in acht te nemen. Zoals gewoonlijk kwamen er zusters van verschillende huizen naar de retraite. Een van de zusters die ik lange tijd niet gezien had, kwam naar mijn cel en zei dat ze me iets te vertellen had. Ik gaf haar geen antwoord en ze begreep dat ik het stilzwijgen niet wilde verbreken. Ze zei tegen mij: “Ik wist niet dat je zo’n  excentriekeling was, zuster”, en ging weg. Ik was me er wel van bewust dat ze niets anders bij mij zocht dan de bevrediging van haar nieuwsgierige eigenliefde. O God, bewaar mij in de getrouwheid.

172 De pater58) die de retraite leidde, kwam uit Amerika. Hij was slechts voor korte tijd naar Polen gekomen en het kwam zo uit dat hij onze retraite leidde. Zijn voorkomen weerspiegelde een diep inwendig leven. Zijn optreden getuigde van geestelijke grootheid. Versterving en inkeer kenmerkten deze priester. Maar ondanks deze grote deugden vond ik het erg moeilijk om mijn ziel met betrekking tot de ontvangen genaden voor hem te openen. Als het om zonden gaat is het altijd gemakkelijk om te doen, maar met betrekking tot genaden moet ik werkelijk een grote inspanning leveren  en zelfs dan vertel ik niet alles.

173 Satans bekoringen tijdens de meditatie. Ik voelde een vreemde angst dat de priester me niet zou begrijpen of dat hij geen tijd zou hebben om te luisteren naar alles wat ik hem te zeggen zou hebben. Hoe ga ik hem dit allemaal vertellen? Als het pater Bukowski was, zou ik het gemakkelijk kunnen doen, maar deze Jezuïet die ik voor de eerste keer ontmoet … Toen herinnerde ik mij de raad van pater Bukowski dat ik op zijn minst korte aantekeningen moest maken van de inzichten die mij door God tijdens de retraite gezonden werden en hem in ieder geval een kort verslag daarvan geven. Mijn God, gedurende anderhalve dag is alles goed gegaan en nu begint er een worsteling op leven en dood. De conferentie begint over een half uur en dan moet ik te biechten gaan. Satan probeerde mij ervan te overtuigen dat ik dit moest geloven: als mijn oversten mij gezegd hebben dat mijn inwendig leven inbeelding is, waarom zou ik dan opnieuw vragen stellen (87) en de biechtvader lastig vallen? Heeft m. X. [waarschijnlijk moeder Jane] je niet gezegd dat de Heer Jezus niet met zielen omgaat die zo ellendig zijn als jij bent? Deze biechtvader gaat je hetzelfde vertellen. Waarom zou je met hem over al deze dingen spreken? Dit zijn geen zonden en moeder X. heeft je verteld dat al dit omgaan met de Heer Jezus dagdromerij is en pure hysterie. Dus waarom moet je het aan deze biechtvader vertellen? Je zou er beter aan doen om dit allemaal als inbeeldingen van je af te zetten. Kijk eens onder hoeveel vernederingen je daardoor hebt geleden en hoeveel meer er je nog staan te wachten en alle zusters weten dat je een hysterica bent. “Jezus!”, riep ik met alle kracht van mijn ziel uit.

174 Op dat moment kwam de priester binnen en begon met de conferentie. Hij sprak gedurende korte tijd, alsof hij haast had. Na de conferentie liep hij naar de biechtstoel toe. Toen ik zag dat niemand van de zusters er heen ging, sprong ik van mijn knielbank op en in een oogwenk was ik in de biechtstoel. Er was geen tijd om te beraadslagen. In plaats dat ik de pater vertelde over de twijfels die er in mij gezaaid waren met betrekking tot mijn omgang met de Heer Jezus, begon ik te spreken over deze bekoringen die ik hierboven zojuist beschreven heb. De biechtvader begreep mijn situatie onmiddellijk en zei: “Zuster, je wantrouwt de Heer Jezus omdat Hij je zo vriendelijk behandelt. Wel zuster, heb volkomen vrede. Jezus is je Meester en jouw omgang met Hem is geen dagdromerij, hysterie of inbeelding. Weet dat je op de goede weg bent. Probeer alsjeblieft trouw te zijn aan deze genaden. Het staat je niet vrij om ze te ontlopen. Je behoeft je oversten helemaal niet over deze inwendige genaden te vertellen, zuster, tenzij de Heer Jezus je duidelijk gelast dat te doen. En zelfs dan behoor je eerst met je biechtvader te overleggen. Maar als de Heer Jezus iets uitwendigs vraagt, behoor je in dit geval nadat je je biechtvader geraadpleegd hebt, wat Hij van je gevraagd heeft ten uitvoer te brengen, ook al kost dit je heel veel. Aan de andere kant moet je alles aan je biechtvader vertellen. Er is absoluut geen andere weg die je kunt inslaan, zuster. Bid dat (88) je een geestelijk leidsman mag vinden, want anders zul je deze grote genaden van God verspillen. Ik herhaal het nog een keer: wees gerust, je bent op de goede weg. Schenk geen aandacht aan iets anders, maar wees ongeacht wat iemand ook over je zegt altijd trouw aan de Heer Jezus. Juist met zulke ellendige zielen gaat de Heer Jezus op deze vertrouwelijke manier om. Hoe meer je jezelf vernedert, des te meer zal de Heer Jezus zich met jou verenigen.

175 Toen ik de biechtstoel verliet, vervulde onuitsprekelijke vreugde mijn ziel. Dus trok ik mij, om mij voor de zusters te verbergen, terug op een afgelegen plekje in de tuin zodat ik het mij kon veroorloven mijn hart voor God uit te storten. Gods tegenwoordigheid doordrong mij en in een ogenblik werd al mijn nietigheid in God ondergedompeld. Op datzelfde ogenblik voelde ik, of liever gezegd onderscheidde ik de drie Goddelijke Personen die in mij wonen. Ik had zo’n grote vrede in mijn ziel dat ik er zelf verbaasd over stond dat ik zoveel bange twijfels had kunnen hebben.

Wil je het hele dagboek lezen of zelfs kopen,
klik dan hier