Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 676-700)

Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 676-700)

Aantekeningenboek II

676 Ik heb met de Heer veel over pater Andrasz en ook over de eerwaarde Sopocko gesproken. Ik weet dat wat ik ook maar van de Heer vraag, Hij mij dat niet zal weigeren. Hij zal hen datgene geven waarom ik vraag. Ik voelde en ik weet hoeveel Jezus van hen houdt. Ik schrijf hier niet in bijzonderheden over, maar ik weet dit en het maakt mij erg gelukkig.

677 15 augustus 1936. Tijdens een Mis die pater Andrasz celebreerde, werd mijn ziel, die naar het altaar toe getrokken werd, een ogenblik voor de elevatie met Gods tegenwoordigheid doordrongen. Toen zag ik de Moeder van God met het Kind Jezus. Het Kind Jezus hield de hand van Onze Lieve Vrouw vast. Een ogenblik later liep het Kind Jezus met vreugde naar het midden van het altaar en de Moeder van God zei tegen mij: “Zie met welk een gerustheid ik Jezus aan zijn handen toevertrouw. Jij moet op dezelfde manier (123) je ziel aan hem toevertrouwen en als een kind voor hem zijn.”

Na deze woorden werd mijn ziel met een ongewoon vertrouwen vervuld. De Moeder van God was gekleed in een witte japon die wonderlijk wit-transparant was. Op haar schouders had zij een transparant blauwe of blauwachtige mantel. Haar hoofd [en] golvend haar waren onbedekt.

Ze was gracieus en onvoorstelbaar mooi. Ze keek met grote tederheid naar de pater, maar na een ogenblik brak hij dit mooie Kind in stukken en er vloeide levend bloed. Pater boog zich voorover en ontving de ware en levende Jezus in zichzelf. Had hij Hem gegeten? Ik weet niet hoe dit plaats vond. Jezus, Jezus, ik kan U niet bijhouden, want in een oogwenk wordt U onbegrijpelijk voor mij.

678 De kern van de deugden is de wil van God. Hij die de wil van God trouw doet, brengt alle deugden in praktijk. In alle gebeurtenissen en omstandigheden van mijn leven aanbid en zegen ik de heilige wil van God. De heilige wil van God is het voorwerp van mijn liefde. (124)

In de zeer geheime diepten van mijn ziel leef ik in overeenstemming met Zijn wil. Ik handel uitwendig volgens wat ik inwendig als de wil van God erken. Kwellingen, lijden, vervolgingen en alle soorten tegenspoeden naar Gods wil zijn zoeter voor mij dan populariteit, geprezen worden en waardering volgens mijn eigen wil.

679 Goedenacht, mijn Jezus. De bel roept mij om te gaan slapen. U ziet dat ik sterf van verlangen om zielen te redden. Goedenacht, mijn Geliefde, ik verheug me erover dat ik een dag dichter bij de eeuwigheid ben. Als U mij morgen laat ontwaken, Jezus, zal ik een nieuwe lofzang tot Uw glorie beginnen.

680 ? 13 juli. Vandaag leerde ik onder de meditatie dat ik nooit over mijn eigen innerlijke ervaringen behoor te spreken, [maar] dat ik niets voor mijn geestelijk leidsman behoor te verbergen.

Ik zal God in het bijzonder vragen om mijn (125) geestelijk leidsman te verlichten. Ik hecht groter belang aan de woorden van mijn biechtvader dan aan alle verlichtingen die ik inwendig ontvang, tezamen.

681 ? Te midden van de grootste kwellingen vestig ik de blik van mijn ziel op de gekruisigde Jezus.

Ik verwacht geen hulp van mensen, maar vestig mijn vertrouwen op God. In Zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid ligt al mijn hoop.

682 ? Hoe meer ik voel dat God mij omvormt, des te meer wens ik mijzelf in stilte te dompelen. De liefde van God doet zijn werk in de diepte van mijn ziel. Ik zie dat de zending die de Heer mij toevertrouwd heeft, begint.

683 ? Toen ik op een keer vurig tot de heiligen uit de orde van de Jezuïeten bad, zag ik plotseling mijn engelbewaarder die mij voor de troon van God leidde. Ik ging door grote menigten heiligen heen (126) en ik herkende er vele van. Ik kende ze van hun afbeeldingen. Ik zag vele Jezuïeten die mij vroegen van welke Congregatie ik was. Toen ik antwoord gaf vroegen ze: “Wie is je geestelijk leidsman?” Ik antwoordde dat het pater A. … was. Toen ze nog meer wilden zeggen, wenkte mijn engelbewaarder mij om te zwijgen en kwam ik voor de troon van God. Ik zag een groot en ontoegankelijk licht en ik zag dicht bij God een plaats die voor mij bereid was. Maar ik weet niet wat voor een plaats het was omdat een wolk die bedekte. Mijn engelbewaarder zei echter tegen mij: “Hier is je troon voor de nauwgezette  trouw waarmee je de wil van God vervulde.”

684 ? Heilig Uur. Donderdag. Tijdens dit uur van gebed stond Jezus het mij toe om het cenakel binnen te gaan. Ik was getuige van wat daar gebeurde. Ik was echter zeer diep ontroerd toen Jezus voor de Consecratie Zijn ogen naar de hemel ophief (127) en een geheim gesprek met Zijn Vader begon. Pas in de eeuwigheid zullen we dat ogenblik werkelijk begrijpen. Zijn ogen waren als twee vlammen. Zijn gezicht was stralend, wit als sneeuw. Zijn hele Persoon was zeer majesteitelijk, Zijn ziel was vol verlangen. Op het ogenblik van de Consecratie rustte de liefde in verzadiging: het offer was volledig gebracht. Nu zal alleen nog de uitwendige ceremonie van het sterven uitgevoerd worden: de uitwendige vernietiging. De geestelijke essentie [ervan] is in het cenakel. Ik had dit mysterie in mijn hele leven nog nooit zo diep begrepen als tijdens dat uur van aanbidding. O, hoe vurig wens ik dat de hele wereld dit ondoorgrondelijke mysterie zal leren kennen!

685 Toen ik na het Heilig Uur naar mijn cel ging, kwam ik plotseling te weten hoezeer God door een zeker iemand die mij zeer na aan het hart lag, beledigd werd. Bij het zien hiervan werd mijn ziel doorstoken van pijn. Ik wierp mijzelf in het stof voor de Heer terwijl ik om Zijn barmhartigheid smeekte. Gedurende twee uren die ik in tranen, gebed en geseling doorbracht, belette ik (128) de zonde. Ik vernam dat Gods barmhartigheid die arme ziel omhelst had. O, de prijs van een enkele zonde!

686 ? September. Eerste vrijdag. ’s Avonds zag ik de Moeder van God met haar borst ontbloot en met een zwaard doorstoken. Ze stortte bittere tranen en beschermde ons tegen Gods verschrikkelijke kastijding. God wil een vreselijke bestraffing op ons neer laten komen, maar Hij kan dat niet doen omdat de Moeder van God ons beschermt. Een afschuwelijke angst maakte zich van mijn ziel meester. Ik bleef onophoudelijk voor Polen bidden, voor mijn geliefde Polen dat zo in gebreke blijft om de Moeder van God dankbaar te zijn. Als de Moeder van God er niet was, zouden al onze inspanningen weinig nut hebben. Ik vermeerderde mijn gebeden en offers voor ons geliefde geboorteland, maar ik zie dat ik een druppel ben tegenover de golf van kwaad. Hoe kan een druppel een golf tegenhouden? O ja! Op zichzelf is een druppel niets, maar met U, Jezus, zal ik dapper opstaan tegen de hele golf van kwaad en zelfs (129) tegen de hele hel. Uw almacht kan alle dingen doen.

687 Toen ik op een keer van de gang naar de keuken liep, hoorde ik deze woorden in mijn ziel: “Bid onophoudelijk de rozenkrans die Ik je geleerd heb. Wie die ook maar bidt, zal grote barmhartigheid ontvangen op het uur van de dood. Priesters moeten die aan zondaren aanbevelen als hun laatste hoop op redding. Zelfs al zou het om een zeer verharde zondaar gaan, als hij deze rozenkrans maar één keer bidt, zal hij vanuit Mijn oneindige barmhartigheid genade ontvangen. Ik wil dat de hele wereld Mijn oneindige barmhartigheid kent. Ik wil aan die zielen die op Mijn barmhartigheid vertrouwen onvoorstelbare genaden verlenen.”

688 Jezus, Leven en Waarheid, mijn Meester, leid iedere stap in mijn leven zodat ik in overeenstemming met Uw heilige wil mag handelen.

689 (130) ?Bij een gelegenheid zag ik de troon van het Lam van God en voor de troon drie heiligen: Stanislaus Kostka, Andrzej Bobola en prins Kazimierz die voorbede deden voor Polen. Opeens zag ik een groot boek dat voor de troon stond. Het werd mij gegeven om te lezen. Het boek was met bloed geschreven. Toch kon ik niets anders lezen dan de naam Jezus. Toen hoorde ik een stem die tegen mij zei: “Jouw uur is nog niet gekomen.” Toen werd het boek van mij weggenomen. Ik hoorde deze woorden: “Jij zult van Mijn oneindige barmhartigheid getuigen. In dit boek staan de namen geschreven van de zielen die Mijn barmhartigheid verheerlijkt hebben.” Ik werd door vreugde overstelpt  bij het zien van zulke grote goedheid van God.

690 ? Bij een gelegenheid leerde ik de toestand kennen van twee religieuze zusters die inwendig mopperden over een bevel dat de overste hen gegeven had. Om deze reden had God vele bijzondere genaden van hen weerhouden. (131) Mijn hart leed pijn toen ik dit zag. Hoe verdrietig is het, o Jezus, wanneer we er zelf de oorzaak van zijn dat we genaden verliezen. Wie dit begrijpt, is altijd trouw.

691 ? Donderdag. Alhoewel ik vandaag erg vermoeid was, besloot ik desondanks om een Heilig Uur te houden. Ik kon niet bidden en ook niet geknield blijven, maar ik bleef een heel uur in gebed en verenigde mij in de geest met die zielen die God al op een volmaakte manier liefhebben. Maar tegen het einde van het uur zag ik plotseling Jezus die mij doordringend aankeek en met onuitsprekelijke liefde zei: “Je gebed is Mij buitengewoon welbehaaglijk.” Na deze woorden kwamen er een ongewone kracht en geestelijke vreugde in mijn ziel. Gods tegenwoordigheid bleef mijn ziel doordringen. O, wat er met een ziel die de Heer van aangezicht tot aangezicht ontmoet, gebeurt, heeft geen pen ooit beschreven of zal dat ooit beschrijven!

692 (132) ? O Jezus, ik begrijp dat Uw barmhartigheid ieder voorstellingsvermogen te boven gaat. Daarom vraag ik U om mijn hart zo groot te maken dat er ruimte in zal zijn voor de noden van alle zielen die op het aardoppervlak leven. O Jezus, mijn liefde strekt zich tot buiten de wereld uit tot de zielen die in het vagevuur lijden. Ik wil jegens hen barmhartigheid beoefenen door middel van aflaatgebeden. Gods barmhartigheid is onpeilbaar en onuitputtelijk, net zoals God zelf ondoorgrondelijk is. Zelfs al zou ik de sterkste woorden gebruiken die er zijn om deze barmhartigheid van God mee tot uitdrukking te brengen, zou dit alles niets zijn in vergelijking met wat zij in werkelijkheid is. O Jezus, maak mijn hart gevoelig voor al het lijden van mijn naaste of het nu lichamelijk of psychisch is. O mijn Jezus, ik weet dat U ten opzichte van ons handelt zoals wij ten opzichte van onze naaste handelen.

Mijn Jezus, maak mijn hart als Uw barmhartig hart. Jezus, help mij om door het leven te gaan terwijl ik aan iedereen goed doe.

693 (133) 14 september [1936]. De aartsbisschop [Jalbrzykowski] van Vilnius bracht ons een bezoek. Alhoewel hij maar heel kort bij ons bleef, kreeg ik toch de kans om met deze achtenswaardige priester over het werk van de barmhartigheid te spreken. Hij gaf blijk van een zeer welwillende gezindheid ten aanzien van de zaak van de barmhartigheid. “Zuster, wees volkomen gerust. Als dit in de plannen van de goddelijke voorzienigheid past, zal het gebeuren. Bid ondertussen om een duidelijker uitwendig teken, zuster. Laat de Heer Jezus je hier een duidelijker inzicht in geven. Ik vraag je om een beetje langer te wachten. De Heer Jezus zal de omstandigheden zo leiden dat alles in orde zal blijken te zijn.”

694 19 september 1936. Toen we [de spreekkamer] van de dokter137) verlieten en een ogenblik de kapel van het sanatorium binnenstapten, hoorde ik deze woorden in mijn ziel: “Mijn kind, nog slechts een paar druppels meer in je kelk. Het zal nu niet lang meer duren.” Vreugde (134) vervulde mijn ziel. Dit was de eerste oproep van mijn geliefde Bruidegom en Meester. Mijn hart versmolt en er was een ogenblik waarin mijn ziel in de hele zee van Gods barmhartigheid werd ondergedompeld. Ik voelde dat mijn zending in zijn volle omvang begon. De dood vernietigt niets wat goed is. Ik bid het allermeest voor zielen die inwendig lijden meemaken.

695 Op een keer ontving ik licht betreffende twee zusters. Ik begreep dat het voor iemand niet mogelijk is om tegenover iedereen op dezelfde wijze te handelen. Er zijn sommige mensen die er een vreemde stijl op na houden om vriendschap met anderen te sluiten. En dan, als ze vrienden zijn en onder het voorwendsel van die vriendschap, spelen zij het klaar om die persoon woord voor woord uit te horen. Als dan het juiste ogenblik komt, gebruiken zij precies dezelfde woorden om die persoon pijn te doen. Mijn Jezus, wat een zonderlinge menselijke zwakheid! Uw liefde, Jezus, geeft de ziel deze grote voorzichtigheid in haar omgang met anderen.

696 (135) ? 24 september 1936. Moeder overste [Irene] beval mij om in plaats van alle andere oefeningen een tientje van de rozenkrans te bidden en onmiddellijk naar bed te gaan. Zodra ik ging liggen, viel ik in slaap want ik was erg moe. Maar een tijdje later werd ik wakker van de pijn. De pijn was zo hevig dat die mij ervan weerhield om ook maar de kleinste beweging te maken. Ik kon zelfs mijn speeksel niet doorslikken. Dit duurde ongeveer drie uren. Ik dacht erover om de zuster novice138) die de kamer met mij deelde, wakker te maken, maar toen dacht ik: “Ze kan me geen enkele hulp geven, laat haar dus maar slapen. Het zou jammer zijn om haar wakker te maken.” Ik gaf mijzelf geheel aan de wil van God over en dacht dat de dag van mijn dood waar ik zo naar verlangd heb,  gekomen was. Het was een gelegenheid voor mij om mij met Jezus die aan het kruis leed, te verenigen. Behalve dat [ik dit deed], was ik niet in staat om te bidden. Toen het lijden ophield, begon ik (136) te transpireren. Maar ik kon mij nog niet bewegen omdat de pijn bij iedere poging terugkwam. ’s Morgens voelde ik mij heel moe alhoewel ik verder geen lichamelijke pijn meer voelde. Toch kon ik niet opstaan om de Mis bij te wonen. Ik dacht bij mijzelf: als de dood na zulk lijden niet komt, hoe groot moet dan het lijden van de dood zijn!

697 Jezus, U weet dat ik het lijden liefheb en de lijdensbeker tot de laatste druppel leeg wil drinken. Toch ervoer mijn natuur een lichte huivering en vrees. Mijn vertrouwen in de oneindige barmhartigheid van God was echter snel in volle kracht ontwaakt. Al het andere moest er voor wijken zoals een schaduw zich voor de stralen van de zon terugtrekt. O Jezus, hoe groot is Uw goedheid! Uw oneindige goedheid die mij zo goed bekend is, stelt mij in staat om de dood in de ogen te zien. Ik weet dat mij zonder de toestemming van God niets zal overkomen. Ik wens Uw oneindige barmhartigheid te verheerlijken tijdens mijn leven, in het uur van mijn dood, in de opstanding en in de hele eeuwigheid.

(137) ? Mijn Jezus, mijn kracht, mijn vrede, mijn rust. Mijn ziel baadt zich dagelijks in de stralen van Uw barmhartigheid. Er is geen ogenblik in mijn leven waarop ik Uw barmhartigheid niet ervaar, o God. Ik verlaat mij in mijn hele leven op niets anders dan alleen op Uw oneindige barmhartigheid. Zij is de rode draad in mijn leven, o Heer. Mijn ziel is vervuld van Gods barmhartigheid.

698 ? Hoe pijnlijk wordt Jezus gewond door de ondankbaarheid van een uitverkoren ziel! Wat is dat een martelaarschap voor Zijn onuitsprekelijke liefde! God heeft ons lief met het hele oneindige Wezen dat Hij is en stel je voor, een ellendig stofdeeltje versmaadt die liefde! Mijn hart barst van pijn als ik deze ondankbaarheid zie.

699 Bij een gelegenheid hoorde ik deze woorden: “Mijn dochter, vertel de hele wereld over Mijn onvoorstelbare barmhartigheid (138). Ik wil dat het feest van de Goddelijke Barmhartigheid129) een toevluchtsoord en een schuilplaats wordt voor alle zielen en in het bijzonder voor arme zondaren. Op die dag staan de diepste diepten van Mijn tedere barmhartigheid open. Ik stort een hele oceaan van genaden uit over die zielen die tot de fontein van Mijn barmhartigheid naderen. De ziel die te biechten zal gaan en de Heilige Communie zal ontvangen, zal volledige vergeving van zonden en straf ontvangen. Op die dag staan alle sluizen van de hemel waardoor de genade stroomt, open. Laat geen enkele ziel bang zijn om tot Mij te naderen, zelfs al zijn haar zonden als scharlaken.

Mijn barmhartigheid is zo groot dat geen enkel verstand, of het nu van een mens of van een engel is, in alle eeuwigheid in staat zal zijn om haar te doorgronden. Alles wat bestaat is uit de diepste diepten van Mijn allertederste barmhartigheid voortgekomen. Iedere ziel zal in de hele eeuwigheid lang Mijn liefde en barmhartigheid in haar relatie met Mij beschouwen. Het feest van de Barmhartigheid kwam op uit Mijn diepste tederheid. (139) Het is Mijn wil dat het op de eerste zondag na Pasen plechtig gevierd wordt. De mensheid zal geen vrede hebben totdat zij zich tot de fontein van Mijn barmhartigheid wendt.”

700 Toen ik op een keer erg moe was en veel pijn had, vertelde ik dat aan moeder overste [Irene]. Ik ontving het antwoord dat ik aan lijden behoorde te wennen. Ik luisterde naar alles wat moeder tegen mij zei en ging toen naar buiten. Onze moeder overste bezit zoals iedereen weet, een grote naastenliefde en in het bijzonder grote liefde voor de zieke zusters. Maar het is buitengewoon dat de Heer Jezus het met betrekking tot mij heeft toegestaan dat zij mij niet begrijpt en dat ze mij in dit opzicht zeer beproeft.

Wil je het hele dagboek lezen of zelfs kopen,
klik dan hier