Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 426-450)

Dagboek van zuster Maria Faustina Kowalksa (nummers 426-450)

Aantekeningenboek I

426 O vreselijk uur (178) waarin men verplicht is om al zijn daden in hun onverhulde ellende onder ogen te zien. Niet een van hen is verloren gegaan. Ze zullen ons allemaal naar Gods oordeel vergezellen. Ik kan geen woorden of vergelijkingen vinden om zulke verschrikkelijke dingen tot uitdrukking te brengen. Alhoewel het mij toeschijnt dat deze ziel niet verdoemd is, verschillen haar kwellingen op geen enkele wijze van de kwellingen van de hel. Er is alleen dit verschil: dat ze op een dag zullen eindigen.

427 Een ogenblik later zag ik het kind dat me wakker had gemaakt opnieuw. Het had een wonderlijke schoonheid en het herhaalde deze woorden tot mij: “Ware zielengrootheid bestaat uit het liefhebben van God en uit nederigheid.” Ik vroeg het kind: “Hoe weet je dat ware grootheid van de ziel uit het liefhebben van God en uit nederigheid bestaat? Alleen theologen hebben kennis van zulke dingen en jij hebt zelfs de catechismus nog niet geleerd. Dus hoe weet je dat?” Hierop antwoordde het: “Ik weet. Ik weet alle dingen.” En hiermee verdween Hij.

428 Maar ik kon niet meer in slaap komen. Mijn geest raakte uitgeput door het denken over de dingen die ik gezien had. O mensenzielen, hoe laat leren jullie de waarheid! O afgrond van Gods barmhartigheid, stort uzelf volgens hetgeen U gezegd hebt zo snel mogelijk uit over de hele wereld.

Mei 1935. Een zeker ogenblik

429 Toen ik mij bewust werd van Gods grote plannen voor mij, werd ik bang omdat ze zo groot waren. Ik voelde mijzelf geheel onbekwaam om ze uit te voeren. Ik begon de inwendige gesprekken met Hem te vermijden en vulde de tijd op met mondgebeden. Ik deed dit uit nederigheid, maar ik kwam snel tot de erkenning dat het geen ware nederigheid was, maar veeleer een grote bekoring van de duivel. Toen ik bij een gelegenheid een boek opnam ter geestelijke lezing in plaats van mij aan het inwendig gebed te wijden, hoorde ik deze woorden die duidelijk en krachtig in mijn ziel gesproken werden. “Jij zult de wereld op Mijn wederkomst voorbereiden.” Deze woorden raakten mij diep en alhoewel ik voorgaf (179) ze niet te horen, begreep ik ze heel goed en twijfelde ik er niet aan. Toen ik op een keer doodop was van deze liefdesoorlog met God en ik mij voortdurend verontschuldigde op grond van het feit dat ik niet in staat was deze taak ten uitvoer te brengen, wilde ik de kapel verlaten, maar een zekere kracht hield me tegen en ik voelde mijzelf machteloos. Toen hoorde ik deze woorden: “Je bent van plan om de kapel te verlaten, maar je zult niet van Mij weggaan, want Ik ben overal. Je kunt niets uit jezelf doen, maar met Mij kun je alle dingen doen.”

430 Toen ik in de loop van de week mijn biechtvader [de eerwaarde Sopocko] bezocht en hem de toestand van mijn ziel openbaarde en in het bijzonder dat ik het inwendig gesprek met God vermeed, werd er tegen mij gezegd dat ik niet van het inwendig gesprek met God moest terugschrikken, maar opmerkzaam behoorde te luisteren naar de woorden die Hij tot mij spreekt.

431 Ik volgde het advies van mijn biechtvader op. Bij de eerstvolgende ontmoeting met de Heer viel ik aan de voeten van Jezus neer en bood met een door droefheid terneergeslagen hart voor alles mijn verontschuldigingen aan. Toen tilde Jezus mij op van de grond en zette mij naast Hem neer. Hij liet mij mijn hoofd op Zijn borst neerleggen zodat ik de verlangens van Zijn allerzoetste hart beter zou begrijpen en voelen. Toen sprak Hij deze woorden tot mij: “Mijn dochter, wees nergens bang voor. Ik ben altijd met je. Al je tegenstanders zullen je alleen schade berokkenen voor zover Ik hen toesta om dat te doen. Jij bent Mijn woning en Mijn vaste rustplaats. Omwille van jou zal Ik de straffende hand weerhouden. Omwille van jou zegen Ik de aarde.”

432 Op datzelfde moment voelde ik een soort vuur in mijn hart. Ik voel dat mijn zintuigen ongevoelig worden en heb er geen idee van wat er om mij heen gebeurt. Ik voel dat de blik van de Heer geheel en al door mij heen gaat. Ik ben mij zeer sterk van Zijn grootheid en van mijn ellende bewust.

Een buitengewoon lijden dringt mijn ziel binnen samen met een vreugde die ik met niets kan vergelijken. Ik voel me machteloos in de omarming van God.

Ik voel dat ik in Hem ben en dat ik in Hem opgenomen ben zoals een druppel water in de oceaan. Ik kan wat er binnen in mij plaatsvindt niet onder woorden brengen. Na zo’n inwendig gebed voel ik sterkte en kracht om de moeilijkste deugden te beoefenen. Ik ervaar een afkeer voor alle dingen die de wereld in waarde houdt. Met heel mijn ziel verlang ik naar stilte en eenzaamheid.

433 (180) Mei 1935. Tijdens het veertigurengebed zag ik het gelaat van de Heer Jezus in de Heilige Hostie die in de monstrans was uitgesteld. Jezus keek vriendelijk naar iedereen.

434 Ik zie het Kind Jezus vaak tijdens de Heilige Mis. Hij is buitengewoon mooi. Hij lijkt ongeveer een jaar oud te zijn. Toen ik op een keer hetzelfde Kind onder de Mis in onze kapel zag, werd ik door een heftige wens en een onweerstaanbare verlangen aangegrepen om naar het altaar te gaan en het Kind Jezus op te nemen.

Op dat moment stond het Kind Jezus bij mij, naast mijn knielbank. Hij steunde met Zijn twee kleine handjes tegen mijn schouder. Hij was bevallig en vrolijk. Zijn blik was diepzinnig en doordringend. Maar toen de priester de Hostie brak, was Jezus opnieuw op het altaar en werd door de priester gebroken en genuttigd.

Na de Heilige Communie zag ik Jezus op dezelfde manier in mijn hart. Ik voelde Hem de hele dag fysiek in mijn hart.

Een zeer diepe beschouwing nam onbewust bezit van mij en ik wisselde met niemand een woord. Ik vermeed de mensen zoveel als ik kon. Ik gaf altijd antwoord op vragen die mijn werk betroffen, maar buiten dat sprak ik geen enkel woord.

9 juni 1935, Pinksteren

435 Toen ik ’s avonds in de tuin wandelde, hoorde ik deze woorden: “Door middel van jullie smeekbeden zullen jij en je medezusters voor jullie zelf en voor de wereld barmhartigheid verkrijgen.” Ik begreep dat ik niet in de Congregatie waarin ik op dit moment ben, zou blijven.95) Ik zag duidelijk dat Gods wil voor mij anders was. Maar ik bleef mij voor God verontschuldigen en Hem vertellen dat ik niet in staat was om deze taak ten uitvoer te brengen. “Jezus, U weet heel goed wat ik ben”, [zei ik] en ik begon mijn zwakheden voor de Heer op te noemen.

Ik verborg mij achter hen zodat Hij het met mij eens zou zijn dat ik niet in staat was om Zijn plannen ten uitvoer te brengen. (181) Toen hoorde ik deze woorden:

“Vrees niet. Ik zal zelf alles aanvullen wat in jou ontbreekt.”

Deze woorden drongen heel diep in mij door en maakten mij nog meer van mijn ellende bewust. Ik begreep dat het woord van de Heer levend is en dat het werkelijk tot in de diepte doordringt. Ik begreep dat God een volmaaktere manier van leven van mij vroeg. Ik bleef mijn ongeschiktheid echter als een excuus gebruiken.

436 29 juni 1934. Toen ik met mijn geestelijk leidsman [eerwaarde Sopocko] over verschillende dingen sprak die de Heer van mij vroeg, dacht ik dat hij me zou vertellen dat ik onbekwaam was om al die dingen tot stand te brengen en dat de Heer Jezus niet zulke ellendige zielen als ik voor de werken die Hij gedaan wilde hebben, gebruikte.

Maar ik hoorde woorden [die er op neerkwamen] dat het juist zulke zielen zijn die God meestal uitkiest om Zijn plannen ten uitvoer te brengen. Deze priester wordt zeker door de Geest van God geleid. Hij heeft de geheimen van mijn ziel doorgrond.

De diepste geheimen die er tussen mij en God bestonden en waarover ik nog niet met hem gesproken had. Want ik had ze zelf nog niet begrepen en de Heer had mij niet duidelijk bevolen om het tegen hem te vertellen.

Het geheim is dit: God wil dat er een Congregatie komt die de barmhartigheid van God aan de wereld bekend zal maken en  door haar gebeden die [barmhartigheid] voor de wereld zal verkrijgen.

Toen de priester mij vroeg of ik niet enkele van deze inspiraties ontvangen had, antwoordde ik dat ik geen duidelijke bevelen gehad had. Maar op dat moment drong er licht door in mijn ziel en ik begreep dat de Heer door hem sprak.

437 Ik had mijzelf tevergeefs verdedigd door te zeggen dat ik geen enkel duidelijk bevel ontvangen had, want aan het einde van ons gesprek zag ik de Heer Jezus op de drempel staan, net zoals Hij op de afbeelding is weergegeven. Hij zei tegen mij: “Ik wil dat er zo’n Congregatie is.”96) Dit duurde slechts een ogenblik. (182) Toch vertelde ik hem er niet onmiddellijk over omdat ik haast had om naar huis te gaan. Ik bleef tegenover de Heer herhalen: “Ik ben niet in staat om Uw plannen uit te voeren, o Heer!” Maar Jezus schonk vreemd genoeg geen aandacht aan mijn smeekbeden, maar liet me zien en begrijpen hoe aangenaam dit werk voor Hem was. Hij sloeg geen acht op mijn zwakheid, maar liet me weten hoeveel moeilijkheden ik moest overwinnen. En ik, Zijn arme schepsel, kon niets anders zeggen dan “Ik ben daarvoor onbekwaam, o mijn God!”

438 30 juni 1935. Op de volgende dag zag ik Jezus bij het begin van de Heilige Mis in al Zijn onuitsprekelijke schoonheid. Hij zei tegen mij dat Hij wilde dat “Zo’n Congregatie zo spoedig mogelijk gesticht wordt en jij zult er met je medezusters in leven. Mijn Geest zal de regel van jullie leven zijn. Je leven moet gevormd worden naar het Mijne vanaf de kribbe tot Mijn dood op het kruis. Dring diep in Mijn geheimen door en je zult de afgrond van Mijn barmhartigheid jegens Mijn schepselen kennen en Mijn onpeilbare goedheid, en die zullen jullie aan de wereld bekend maken. Jullie zullen door jullie gebeden bemiddelen tussen hemel en aarde.”

439 Toen kwam het moment om de Heilige Communie te ontvangen en Jezus verdween. Ik zag een grote schittering. Toen hoorde ik deze woorden: “Wij geven Onze zegen”. Op dat ogenblik kwam er een helder schitterende straal uit dat licht te voorschijn en doorboorde mijn hart. Een buitengewoon vuur werd in mijn ziel aangestoken. Ik dacht dat ik van vreugde en geluk zou sterven. Ik voelde dat mijn geest zich van mijn lichaam afscheidde. Ik voelde mij volkomen in God ondergedompeld. Ik werd als een stofje door de Almachtige naar onbekende firmamenten  weggerukt.

Terwijl ik beefde van vreugde in de omarming van de Schepper, voelde ik dat Hij me zelf ondersteunde zodat ik dit grote geluk kon dragen en mijn blik op Zijn majesteit richten. Nu weet ik dat als Hij me niet eerst door Zijn genade versterkt had, (183) mijn ziel niet in staat geweest zou zijn om het geluk te dragen. Ik zou ogenblikkelijk gestorven zijn. De Heilige Mis liep ten einde, – ik weet niet wanneer – want het lag buiten mijn macht om aandacht te schenken aan hetgeen er in de kapel gebeurde. Maar toen ik het gebruik van mijn zintuigen terugkreeg, voelde ik de kracht en de moed om Gods wil te doen. Niets leek me moeilijk. Terwijl ik me tevoren steeds bij de Heer verontschuldigd had, voelde ik nu inwendig de moed en de kracht van de Heer. Ik zei tegen de Heer: “Ik ben bereid om op iedere wenk te doen wat U wilt.” Ik was innerlijk al door alles wat ik in de toekomst mee zou gaan maken, heengegaan.

440 O mijn Schepper en Heer, mijn hele wezen is van U! Beschik over mij naar Uw goddelijk welbehagen en Uw eeuwige plannen en Uw ondoorgrondelijke barmhartigheid. Laat iedere ziel weten hoe goed de Heer is. Laat geen enkele ziel vrezen om vertrouwelijk met de Heer om te gaan. Laat geen enkele ziel onwaardigheid als excuus gebruiken en laat zij [het aannemen] van Gods uitnodigingen nooit uitstellen, want dat is de Heer niet aangenaam. Er is geen ziel die armzaliger is dan de mijne, want ik ken mijzelf werkelijk. Ik sta er verbaasd over dat de goddelijke Majesteit zich zo diep neerbuigt. O eeuwigheid, het lijkt me dat je te kort bent om de oneindige barmhartigheid van de Heer [naar behoren] te verheerlijken!

441 Op een keer werd de afbeelding tijdens de Corpus Christi processie [20 juni 1935] tentoongesteld boven het altaar. Toen de priester het Heilig Sacrament uitstelde en het koor begon te zingen, doorboorden de stralen van de afbeelding de Heilige Hostie en spreidden zich uit over de gehele wereld. Toen hoorde ik deze woorden: “Deze stralen van barmhartigheid zullen precies zoals ze door deze Hostie heengegaan zijn, door jou heengaan en ze zullen uitgaan over de hele wereld.” (184) Bij deze woorden kwam er een diepe vreugde in mijn ziel.

442 Toen mijn biechtvader [eerwaarde Sopocko] op een keer de Mis las, zag ik zoals gewoonlijk vanaf de tijd van het offertorium het Kind Jezus op het altaar. Juist voor de elevatie verdween de priester echter uit mijn gezicht en bleef Jezus alleen over. Toen het moment van de elevatie naderde, nam Jezus de Hostie en de miskelk in Zijn kleine handen en hief ze samen op terwijl Hij naar de hemel opzag. Een ogenblik later zag ik mijn biechtvader weer. Ik vroeg het Kind Jezus waar de priester gedurende de tijd dat ik hem niet gezien had, geweest was. Jezus antwoordde: “In mijn hart.” Maar ik kon niets meer van deze woorden van Jezus begrijpen.

443 Bij een gelegenheid hoorde ik deze woorden: “Ik verlang dat je in de meest verborgen diepten van je ziel volgens Mijn wil leeft.” Ik dacht na over deze woorden die zeer sterk tot mijn hart spraken. Dit gebeurde op de dag waarop de gemeenschap te biechten ging. Toen ik te biechten ging en mijzelf van mijn zonden beschuldigd had, herhaalde de priester [eerwaarde Sopocko] tegenover mij dezelfde woorden als die de Heer tevoren gesproken had.

444 De priester sprak deze diepzinnige woorden tot mij: “Er zijn drie graden in het volbrengen van Gods wil. In de eerste voert de ziel alle regels en verordeningen die op de uitwendige gehoorzaamheid betrekking hebben, uit. In de tweede graad aanvaardt de ziel inwendige ingevingen en voert ze in getrouwheid uit. In de derde graad staat de ziel die zich aan de wil van God heeft overgegeven, het Hem toe in vrijheid over haar te beschikken. God handelt met haar naar Zijn welbehagen en zij is een volgzaam werktuig in Zijn handen.” De priester zei dat ik bij de tweede graad in het volvoeren van Gods wil was en dat ik de derde graad nog niet bereikt had, (185) maar dat ik er naar moest streven om die te bereiken. Deze woorden doorboorden mijn ziel. Ik zie duidelijk dat God de priester vaak laat weten wat er in de diepte van mijn ziel omgaat. Dit verwondert mij helemaal niet. Ik dank God met recht dat Hij zulke uitgezochte personen heeft.

Donderdag, nachtelijke aanbidding

445 Toen ik voor de aanbidding kwam, werd ik onmiddellijk door een inwendige beschouwing gegrepen. Ik zag de Heer Jezus van Zijn kleding beroofd aan een pilaar vastgebonden en de geseling begon onmiddellijk. Ik zag vier mannen die de Heer om de beurt met gesels sloegen. Mijn hart stond bijna stil bij het zien van deze martelingen. De Heer zei tegen mij: “Ik lijd zelfs nog zwaardere pijn dan de pijn die jij ziet.” Jezus liet mij weten om welke zonden Hij zich aan de geseling onderwierp. Dit zijn de zonden van onreinheid. O, hoe ontzaglijk was het morele lijden van Jezus tijdens de geseling! Toen zei Jezus tegen mij: “Kijk en zie het menselijke geslacht in zijn huidige toestand.” Ogenblikkelijk zag ik afschuwelijke dingen. De beulen verlieten Jezus en andere mensen begonnen Hem te geselen. Ze namen de gesels en sloegen de Heer op genadeloze wijze. Dit waren priesters, monniken, nonnen en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Dat verbaasde me heel erg. Er waren leken van alle leeftijden en standen en beroepen. Allen koelden hun haat op de onschuldige Jezus. Toen ik dit zag, was het alsof mijn hart in doodsstrijd raakte. Terwijl de beulen Hem geselden, had Jezus zich stil gehouden en keek Hij in de verte. Maar toen die andere zielen die ik noemde Hem geselden, sloot Jezus Zijn ogen en een zacht, maar zeer smartelijk gekerm ontsnapte aan Zijn hart. Jezus liet me heel precies weten hoe diep de kwaadaardigheid bij deze ondankbare zielen zat. “Je ziet dat dit een marteling is die nog erger is dan Mijn dood.” Toen zweeg mijn mond ook stil en ik begon de doodsstrijd te ervaren. (186) Ik voelde dat niemand me zou kunnen troosten of me uit die toestand weg zou kunnen rukken dan alleen Degene die mij erin gebracht had. Toen zei de Heer tegen mij: “Ik zie de oprechte pijn van je hart. Die bracht grote troost voor Mijn hart. Zie toe en wees getroost.”

446 Toen zag ik de Heer Jezus aan het kruis genageld. Nadat Hij er een poosje aan gehangen had, zag ik een menigte zielen die net zoals Hij gekruisigd waren. Toen zag ik een tweede menigte zielen en een derde. [De zielen van] de tweede menigte waren niet aan [hun] kruisen genageld, maar hielden die stevig vast met hun handen. [De zielen van] de derde [menigte] waren niet aan [hun] kruisen genageld en hielden ze ook niet stevig vast met hun handen, maar ze sleepten [hun] kruisen achter zich aan en waren ontevreden.

Toen zei Jezus tegen mij: “Zie je deze zielen? Zij die in de pijn en in de verachting die ze lijden op Mij gelijken, zullen ook in de heerlijkheid op Mij gelijken. Zij die in pijn en verachting minder op Mij lijken, zullen ook in de heerlijkheid minder gelijkenis met Mij vertonen.”

Van de gekruisigde zielen behoorden de meesten tot de geestelijkheid. Ik zag ook een paar gekruisigde zielen die ik kende en dit gaf mij grote vreugde. Toen zei Jezus tegen mij: “Je moet morgen tijdens je meditatie nadenken over wat je vandaag hebt gezien.” Onmiddellijk verdween Jezus bij mij.

447 Vrijdag. Ik was ziek en kon de Heilige Mis niet bijwonen. Om zeven uur ’s morgens zag ik mijn biechtvader terwijl hij de Heilige Mis opdroeg. Tijdens de Mis zag ik het Kind Jezus. Tegen het einde van de Mis verdween het visioen en bevond ik mij weer net als tevoren in mijn cel.

Er kwam een onbeschrijflijke vreugde over mij omdat ik, alhoewel ik niet in onze eigen kapel naar de Mis kon gaan, in een kerk die daar ver van verwijderd lag bij de Mis geassisteerd had. Jezus heeft voor alle dingen een oplossing.

 (187) 30 juli 1935

448 Het feest van St. Ignatius. Ik bad vurig tot deze heilige en verweet hem dat hij maar toekeek en mij niet te hulp kwam in zulke belangrijke aangelegenheden als het doen van Gods wil. Ik zei tegen hem: “U, onze patroon die met het vuur van liefde en ijver voor de meerdere eer van God ontvlamd was, ik smeek u nederig om mij te helpen om Gods plannen ten uitvoer te brengen.”97) Dit was tijdens de Heilige Mis. Toen zag ik St. Ignatius aan de linkerkant van het altaar staan met een groot boek in zijn hand. Hij sprak deze woorden tegen mij: “Mijn dochter, je zaak laat mij niet onverschillig. Deze regel kan aangepast worden en hij kan aan deze Congregatie aangepast worden.” Terwijl hij met zijn hand naar het grote boek gebaarde, verdween hij. Ik verheugde mij bijzonder over het feit dat de heiligen zoveel aan ons denken en dat we zo nauw met hen verbonden zijn. O, de goedheid van God! Wat is de geestelijke wereld toch mooi dat we al hier op aarde met de heiligen kunnen omgaan! De hele dag kon ik de tegenwoordigheid van deze geliefde patroonheilige voelen.

5 augustus 1935. Het feest van Onze Lieve vrouw van Barmhartigheid

449 Ik bereidde mij met grotere ijver dan in de voorafgaande jaren op dit feest voor. Op de morgen van het feest zelf ervoer ik een innerlijke strijd bij de gedachte dat ik deze Congregatie die zich in zo’n bijzondere bescherming van Maria verheugde, zou moeten verlaten. Deze strijd duurde tijdens de hele meditatie en ook tijdens de eerste Mis. Onder de tweede Mis wendde ik mij tot onze Heilige Moeder en vertelde haar dat het moeilijk voor mij was om mij van deze Congregatie af te scheiden … “die onder uw bijzondere bescherming staat, o Maria.” Toen zag ik de onuitsprekelijk mooie Heilige Maagd. Ze kwam van het altaar af naar mijn knielbank, hield me dicht tegen zich aan en zei tegen mij: “Dankzij de ondoorgrondelijke genade van God ben ik de Moeder van jullie allemaal. Die ziel die de wil van God getrouw ten uitvoer brengt, behaagt mij het meest.” Ze liet mij begrijpen dat ik de wil van God trouw had vervuld (188) en zo genade in Zijn ogen gevonden had. “Wees moedig. Vrees geen ogenschijnlijke hindernissen, maar vestig je blik op het lijden van mijn Zoon. Op deze manier zul je zegevieren.”

Nachtelijke aanbidding

450 Ik leed heel veel en het leek me dat ik niet in staat zou zijn om mijn aanbidding te houden. Maar ik verzamelde al mijn wilskracht en alhoewel ik in mijn cel in elkaar zakte, schonk ik geen aandacht aan wat ik mankeerde, want ik had het lijden van Jezus voor ogen. Toen ik de kapel binnenkwam, ontving ik een inwendig begrip van het grote loon dat God voor ons voorbereidt. Niet alleen voor onze goede daden, maar ook voor onze oprechte wens om ze te volbrengen. Wat een grote gunst van God is dit! O, hoe zoet is het om voor God en de zielen te arbeiden.

Ik wil geen verademing in deze strijd, maar ik zal tot de laatste ademtocht voor de glorie van mijn Koning en Heer strijden. Ik zal het zwaard niet aan de kant leggen totdat Hij me voor Zijn troon roept. Ik vrees geen slagen, want God is mijn Schild. Het is de vijand die bang voor ons behoort te zijn en wij niet voor hem. Satan verslaat alleen wie trots is of lafhartig, want wie nederig is, is sterk. Niets zal een nederige ziel verwarren of doen schrikken. Ik vlieg doelgericht naar het middelpunt van de zonnewarmte. Niets kan mij op lagere hoogte doen vliegen. Liefde staat niet toe dat zij gevangen genomen wordt. Ze is vrij als een koningin. Liefde bereikt God.

Wil je het hele dagboek lezen of zelfs kopen,
klik dan hier