8e week door het jaar 1, maandag

Achtste week door het jaar 1, maandag

eerste lezing (Sir. 17, 24-29)

Uit het Boek Ecclesiasticus.
Aan boetvaardigen, die zich bekeren, staat de Heer terugkeer toe, Hij bemoedigt hen, wanneer hun volharding tekort schiet. Bekeer u tot de Heer en laat de zonden na, bid voor zijn aangezicht en geef steeds minder aanstoot. Keer terug tot de Allerhoogste en wend u af van ongerechtigheid, want Hij zelf zal u uit de duisternis geleiden tot het gezonde licht. Haat uit de grond van uw hart wat een gruwel is. Wie toch zal de Allerhoogste in het dodenrijk loven, zoals de levenden, die Hem een danklied zingen? Het danklied van de dode gaat verloren, als bestond hij niet meer, maar wie leeft en gezond is, prijst de Heer. Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer, en zijn verzoenend handelen voor hen, die zich tot Hem bekeren!
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 32/31)

Refrein:
Weest blij in de Heer, alle vromen.

Gelukkig degene wiens fout werd vergeven, wiens zonde door God werd bedekt. Gelukkig de mens die geen schuld heeft bij God, wiens hart geen misdaad verbergt.

lk heb mijn zonde beleden voor U, mijn schuld niet langer ontkend. lk sprak: voor de Heer beken ik mijn fout, toen hebt Gij mijn zonde vergeven.

Daarom zal de vrome zich keren tot U, wanneer hij door onheil bedreigd wordt, al breekt er een stortvloed over hem los, de rampspoed zal hem niet raken. Mijn toevlucht zijt Gij, mijn redder in nood, Gij hult mij in voorspoed en vreugde.

vers voor het evangelie (Ps. 25/24, 4c.5a)

Alleluia. Leer mij uw paden kennen, Heer, leid mij volgens uw woord. Alleluia.

evangelie (Mc. 10, 17-27)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd toen Jezus zich op weg begaf, kwam er iemand aanlopen, die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg: “Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Jezus antwoordde: “Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.” Hij gaf Hem ten antwoord: “Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.” Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: “Eén ding ontbreekt u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen.” Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat. Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: “Hoe moeilijk is het voor degenen, die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!” De leerlingen stonden verbaasd over wat Hij zei. Daarom herhaalde Jezus: “Kinderen, wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.” Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: “Wie kan dan nog gered worden?” Jezus keek hen aan en zei: “Dit ligt niet in de macht der mensen, maar wel in die van God, want voor God is alles mogelijk.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Dionysiusparochie