4e week door het jaar 1, vrijdag

Vierde week door het jaar 1, vrijdag

eerste lezing (Hebr. 13, 1-8)

Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters, de broederlijke liefde hoort bij de dingen, die altijd moeten blijven. En vergeet de gastvrijheid niet; daardoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald. Denkt aan hen, die gevangen zijn als waart ge met hen in de gevangenis, en aan hen die mishandeld worden, want ook gij hebt een lichaam. Het huwelijk is iets kostbaars; laten we het allen in ere houden en de trouw respecteren. Gods oordeel zal komen over ontuchtigen en echtbrekers. Leeft niet alleen voor geld, weest tevreden met wat ge hebt. God zelf heeft gezegd: “Ik laat u niet alleen, Ik zal u nooit in de steek laten.” Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat kan een mens mij aandoen? Gedenkt uw leiders die u het eerst het woord van God verkondigd hebben. Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof. Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 27/26)

Refrein:
De Heer is mijn licht en mijn leidsman.

De Heer is mijn licht en mijn leidsman, wie zou ik vrezen; de Heer is de schuts van mijn leven, voor wie zou ik bang zijn?

Al staan boosdoeners in slagorde voor mij, ik ben niet bevreesd, al voeren zij oorlog met mij, toch blijf ik vertrouwen. In kwade dagen verleent de Heer mij beschutting, Hij houdt mij verborgen binnen in zijn verblijf.

Uw aanschijn, Heer, tracht ik te zien, wil uw gelaat niet verbergen voor mij, verstoot mij, uw dienaar, niet in uw gramschap. Want Gij zijt mijn helper, verjaag mij dus niet.

vers voor het evangelie (Joh. 14, 5)

Alleluia. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt de Heer; niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Alleluia.

evangelie (Mc. 6, 14-29)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

Toen koning Herodes over Jezus hoorde, want zijn naam was bekend geworden, zei hij: “Johannes de Doper is verrezen uit de doden en daarom werken die wonderkrachten in hem.” Maar anderen zeiden: “Het is Elia”, en weer anderen: “Hij is een profeet zoals de andere profeten.” Maar toen Herodes dit alles hoorde zei hij: “Neen, het is Johannes, die ik onthoofd heb, die verrezen is.” Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, want hij had haar tot vrouw genomen. Johannes had immers tot Herodes gezegd: “Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.” Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden, maar zij kreeg geen kans, want Herodes had ontzag voor Johannes. Hij wist, dat hij een rechtschapen en heilig man was en nam hem in bescherming. Telkens wanneer hij hem gehoord had verkeerde hij in tweestrijd, maar toch luisterde hij graag naar hem. Er kwam echter een gunstige dag, toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. De dochter van Herodias trad op met een dans en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten. De koning zei tot het meisje: “Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.” En hij bevestigde haar met een eed: “Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.” Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: “Wat zou ik vragen?” Deze antwoordde: “Het hoofd van Johannes de Doper.” Zij haastte zich naar binnen, naar de koning en zei hem haar verlangen: “Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.” Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen en ook wegens zijn tafelgenoten, wilde hij haar niet afwijzen. Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen. De man ging en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje; het meisje gaf het weer aan haar moeder. Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Dionysiusparochie