4e week door het jaar 1, maandag

Vierde week door het jaar 1, maandag

eerste lezing (Hebr. 11, 32-40)

Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters, wat zal ik nog meer zeggen? De tijd ontbreekt me om te verhalen van Gideon, Barak, Simson en Jefta, van David en Samuël en de profeten. Door het geloof hebben zij koninkrijken omvergeworpen, gerechtigheid uitgeoefend, de vervulling van beloften afgedwongen. Zij hebben leeuwen de muil gesloten, de gloed van vuur gedoofd, ze ontsnapten aan het scherp van het zwaard. Hun zwakheid werd kracht, ze werden machtig in de oorlog, en dreven vijandelijke legers op de vlucht. Vrouwen kregen hun doden terug door opstanding uit de dood. Anderen werden ten dode gefolterd en wezen hun vrijlating af om een betere opstanding te verwerven. Weer anderen hadden spot en slagen te verduren en boeien en opsluiting. Zij werden gestenigd, doormidden gezaagd, terechtgesteld met het zwaard. Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, ten prooi aan ontbering, vervolging, mishandeling. Zij waren te goed voor deze wereld. Ze vluchtten in woestijnen en op de bergen, ze verborgen zich in spelonken en holen in de grond. Ook zij hebben zich allen een naam verworven door hun geloof. Toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. God had met ons iets beters voor en wilde niet dat zij hun voleinding zouden bereiken zonder ons.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 31/30)

Refrein:
Schept moed en weest onverschrokken, gij allen die hoopt op de Heer.

Hoe groot zijn uw weldaden, Heer, die Gij hebt bestemd voor hen die U vrezen. Gij schenkt ze aan ieder die tot U komt, voor alle mensen waarneembaar.

De glans van uw Aanschijn beschermt hem altijd, als mensen zich tegen hem keren. Gij neemt hem op in uw tent, beschut tegen kwade tongen.

Gezegend de Heer, want zijn wondere goedheid heeft mij beschermd als een vestingstad. Verslagen en moedeloos heb ik gezegd: Gij hebt mij geheel uit het oog verloren. Maar neen, Gij hebt mijn smeken gehoord, mijn stem die luid tot U riep.

Bemint dan de Heer, al zijn vromen, de Heer behoedt alwie trouw blijft aan Hem. Maar wie zich in hoogmoed tegen Hem keert, betaalt Hij met woeker terug.

vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)

Alleluia. Zalig zij, die het Woord Gods, dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid. Alleluia.

evangelie (Mc. 5, 1-20)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen aan de overkant van het meer in het land van de Gerasenen. Nauwelijks was Hij uit de boot gestapt, of daar liep Hem uit de grotspelonken een man tegemoet, die in de macht was van een onreine geest. Hij huisde in de graven en niemand was meer in staat hem zelfs met een ketting te boeien, want al meermalen was hij in voet- en handboeien geketend geweest, maar de handboeien had hij uit elkaar getrokken en de voetboeien verbrijzeld. Niemand was dus bij machte hem te overweldigen. Dag en nacht was hij onafgebroken in de grafspelonken en in de bergen aan het schreeuwen en beukte zichzelf met stenen. Toen hij in de verte Jezus zag, snelde hij op Hem toe en viel Hem te voet. Luid schreeuwend riep hij: “Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, kwel mij niet!” Want Hij had hem gezegd: “Onreine geest, ga weg uit die man.” Daarop vroeg Jezus hem: “Wat is uw naam?” Hij antwoordde: “Mijn naam is Legioen want wij zijn met velen.” En hij smeekte Jezus met aandrang dat Hij hen niet uit de streek zou wegjagen. Nu was men daar tegen de berghelling een grote kudde zwijnen aan het hoeden. Zij smeekten Hem: “Stuur ons in die zwijnen en laat ons daarin gaan.” Hij stond het hun toe. De onreine geesten gingen uit de bezetene, voeren in de zwijnen en de troep stortte zich van de steile oever in het meer, ongeveer tweeduizend, en ze verdronken. De zwijnenhoeders namen de vlucht en vertelden het in de stad en op het land. Daarop kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was. Zij kwamen naar Jezus toe en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, dezelfde die in de macht van Legioen geweest was, en ze werden door vrees bevangen. Die het gezien hadden, verhaalden hun hoe het gegaan was met de bezetene, en vertelden ook over de zwijnen. Daarop begonnen ze bij Hem aan te dringen hun streek te verlaten. Maar toen Jezus in de boot stapte verzocht de man, die bezeten geweest, was bij Hem te mogen blijven. Jezus stond dit echter niet toe, maar zei hem: “Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe hij u barmhartigheid heeft bewezen.” De man ging heen en begon in Dekápolis alles te verkondigen wat Jezus aan hem gedaan had. En allen stonden verbaasd.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Dionysiusparochie