4e week door het jaar 1, donderdag

Vierde week door het jaar 1, donderdag

eerste lezing (Hebr. 12, 18-19.21-24)

Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters, bedenkt waar gij staat: gij zijt niet genaderd tot een tastbare berg en een laaiend vuur, met duisternis, donderwolken en stormwind, waar de trompet klonk en de stem de woorden sprak, en die haar hoorden smeekten dat zij niet langer tot hen zou spreken. En wat ze zagen, was zo verschrikkelijk dat Mozes uitriep: “Ik sidder van angst.” Neen, gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke en plechtige vergadering van de eerstgeborenen, die in de hemel zijn ingeschreven, gij zijt genaderd tot God, de rechter van allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 48/47)

Refrein:
Wij vieren uw goedertierenheid, God, hier binnen uw tempelmuren.

Groot is de Heer, Hij zij hoog geprezen in onze Godsstad Jeruzalem. Zijn heilige berg rijst daar schitterend op, een vreugde voor ieder op aarde.

Voor ons is de Sion de Godenberg, de stad van de Grote Koning. God zelf, die binnen haar burchten verblijft, Hij toont zich een veilige vesting.

Alwat wij gehoord hebben zien wij nu zelf in onze Godsstad Jeruzalem. De stad van de Heer der hemelse legers, God houdt haar voor eeuwig in stand.

Wij vieren uw goedertierenheid, God, hier binnen uw tempelmuren. Zover als uw Naam reikt, reikt ook uw roem tot aan de grenzen der aarde. Weldadig is alles wat komt uit uw hand.

vers voor het evangelie (Joh. 10, 27)

Alleluia. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, zegt de Heer; en Ik ken ze en zij volgen Mij. Alleluia.

evangelie (Mc. 6, 7-13)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd riep Jezus de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun macht over de onreine geesten en verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg dan alleen een stok: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel. “Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.” Hij zei verder: “Als ge ergens een huis binnengaat, blijft daar tot ge weer afreist. En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.” Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren. Zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Dionysiusparochie