33e week door het jaar 1, woensdag

33e week door het jaar 1, woensdag

389 eerste lezing: 2 Makk. 7, 1. 20-31

De Schepper van de wereld
zal u in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven.

Uit het tweede Boek van de Makkabeeën.
In die dagen
werden ook zeven broeders met hun moeder aangehouden
en op bevel van de koning met roeden en riemen geslagen
om ze zo te dwingen het verboden varkensvlees te eten.
Buitengewoon bewonderenswaardig was de moeder
en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven.
Zij zag haar zeven zonen op één dag sterven,
maar hield moedig stand,
omdat zij op de Heer vertrouwde.
Bezield met edele gevoelens,
moedigde zij ieder van hen in hun moedertaal aan
en sprak tot hen:
“Ik weet niet hoe gij in mijn schoot gevormd zijt;
niet ik heb u de levensadem geschonken,
niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van u bestaat,
tot een harmonisch geheel geordend,
maar de Schepper van de wereld;
Hij bewerkt het ontstaan van de mens,
zoals Hij van alles de oorsprong is.
Hij zal u in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven,
omdat gij omwille van zijn wet u zelf nu niet spaart.”
Antiochus meende dat de vrouw op hem smaalde
en hij verdacht haar van beledigende taal.
Daarom trachtte hij haar jongste zoon,
de enige die nog in leven was,
niet alleen met vermanende woorden
over te halen, de voorvaderlijke zeden te loochenen,
maar hij beloofde ook onder ede,
dat hij hem rijk en gelukkig zou maken,
dat hij hem zou opnemen onder zijn vrienden
en hem het beheer van staatszaken zou toevertrouwen.
Toen de jongen daar in het geheel geen aandacht aan schonk,
riep de koning de moeder en spoorde haar aan
het ventje aan zijn verstand te brengen,
dat het om zijn welzijn ging.
Daar hij er bij haar met klem op aandrong,
stemde zij er tenslotte in toe haar zoon te overtuigen.
Zij boog zich naar hem toe
en de spot drijvend met de wrede despoot,
zei ze tot hem in hun moedertaal:
“Kind, heb medelijden met mij.
Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen,
je drie jaar gevoed en je gekoesterd
en opgevoed tot de jongen die je nu zijt.
Ik smeek je, mijn kind,
beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten
en bedenk dat God dit alles uit het niet gemaakt heeft
en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
Wees niet bang voor die beul,
maar toon je je broeders waardig en aanvaard de dood,
dan zal ik je met je broers terugkrijgen
op de dag dat God zich over ons ontfermt.”
Nauwelijks had zij dit gezegd, of de jongen riep uit:
“Waar wacht u op?
Ik gehoorzaam niet aan het bevel van de koning:
ik gehoorzaam aan wat de wet beveelt,
die door Mozes aan onze voorvaders gegeven is.
Gij zijt de oorzaak van heel de rampspoed,
die de Hebreeën treft,
maar gij zult niet ontkomen aan de hand van God.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

tussenzang: Ps. 17(16), 1, 5-6, 8b, 15

Refrein:
Uw aanblik, Heer,
verzadigt mij als ik ontwaak.

Luister, Heer, want mijn zaak is rechtvaardig,
let op mijn luid geroep.
Wil mijn gebed aanhoren;
mijn lippen bedriegen U niet.

Standvastig volg ik het pad van de wet,
mijn voet struikelt niet op uw wegen.
Nu roep ik U aan, want Gij zult mij verhoren,
wend dus uw oor naar mij, hoor naar mijn stem.

Verberg mij onder de schuts van uw vleugels.
Ik ben rechtschapen en mag U aanschouwen,
uw aanblik verzadigt mij als ik ontwaak.

vers voor het evangelie: Hebr. 4, 12

Alleluia.
Het woord van God is levend en krachtig,
en het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest.
Alleluia.

390 evangelie: Lc. 19, 11-28

Waarom heb je mijn geld niet naar de bank gebracht?

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Lof zij U, Christus.

In die tijd was Jezus dichtbij Jeruzalem gekomen,
en daar men meende, dat het Rijk Gods
onmiddellijk ging verschijnen,
vertelde Hij deze gelijkenis:
“Een man van hoge geboorte ging op reis naar een ver land
om het koningschap te verkrijgen en dan terug te keren.
Hij riep tien van zijn dienaars,
gaf hun tien pond en sprak tot hen:
“Doet daar tijdens mijn afwezigheid zaken mee.”
Zijn landgenoten evenwel haatten hem
en stuurden hem een gezantschap achterna om te zeggen:
Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt.
Toen hij was teruggekeerd,
na het koningschap toch verkregen te hebben,
liet hij die dienaars roepen aan wie hij zijn geld gegeven had.
De eerste kwam en zei:
“Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd.”
Hij antwoordde:
“Uitstekend, goede dienaar!
Omdat gij in iets kleins trouw zijt geweest,
zult gij gezag hebben over tien steden.”
Daarop kwam de tweede en sprak:
“Heer, uw pond heeft er vijf opgebracht.”
Ook hem antwoordde de heer:
“En gij, gij zult macht hebben over vijf steden.”
Toen kwam de derde en zei:
“Heer, hier is uw pond;
ik heb het weggestopt in een doek en zo bewaard;
ik had angst voor u,
omdat ge een streng man zijt,
die terugeist wat ge niet hebt uitgezet
en die oogst wat ge niet hebt gezaaid.”
Aan hem antwoordde de heer:
“Met je eigen woorden zal ik je veroordelen, slechte knecht.
Je wist, dat ik een streng man ben,
die terugeist wat ik niet heb uitgezet
en die oogst wat ik niet gezaaid heb.
Waarom heb je dan mijn geld niet naar de bank gebracht?
Dan had ik het bij mijn terugkomst met rente kunnen opvragen.”
En aan degenen die er bij stonden, beval hij:
“Neemt hem dat pond af
en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft.”
Ze wierpen op:
“Heer, die heeft al tien ponden.”
Maar hij ging verder:
“Ik zeg u:
Aan ieder die heeft, zal gegeven worden;
maar aan wie niet heeft, zal nog ontnomen worden
zelfs wat hij heeft.
En die vijanden van mij,
die mensen die niet wilden, dat ik koning over hen werd:
brengt ze hier en steekt ze voor mijn ogen neer.”
Nadat Jezus deze woorden gesproken had,
trok Hij verder en ging op naar Jeruzalem.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Subscribe
Abonneren op

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments