1e week door het jaar 1, maandag

Eerste week door het jaar 1, maandag

eerste lezing (Hebr. 1, 1-6)

Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters, nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat en door wie Hij het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen. Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging der zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet ter rechterzijde van de majesteit in den hoge, ver verheven boven de engelen, zoals Hij hen ook overtreft in de waardigheid, die zijn deel is geworden. Heeft God ooit tot een engel gezegd: “Gij zijt mijn zoon, Ik heb u heden verwekt?” Of: “Ik zal een vader voor hem zijn en hij zal mijn zoon zijn?” Wanneer Hij evenwel de Eerstgeborene opnieuw de wereld binnenleidt, zegt Hij: “Alle engelen Gods moeten Hem hulde brengen.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 97/96)

Refrein:
Voor de Heer werpen alle goden zich neer.

De Heer is koning, de aarde mag juichen, blij zijn de landen rondom de zee, recht en gerechtigheid dragen zijn troon.

De hemel verkondigt zijn heiligheid en alle volken aanschouwen zijn glorie, voor Hem werpen alle goden zich neer.

Want heel de aarde staat onder zijn macht, Hij is de hoogste der goden.

vers voor het evangelie (1 Sam. 3, 9; Joh. 6, 69b)

Alleluia. Spreek Heer, uw dienaar luistert; uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Alleluia.

evangelie (Mc. 1, 14-20)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

Nadat Johannes de Doper was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. Hij zei: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij, bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Toen Jezus eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl zij bezig waren het net uit te werpen in het meer, zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: “Komt, volgt Mij, Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder gaande zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes, ook zij waren in de boot bezig met hun netten klaar te maken. Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Dionysiusparochie