Ter voorbereiding van de viering van zondag 27-06-2021

Ter voorbereiding van de viering van zondag 27-06-2021

Uit het commentaar van de heilige Beda de Eerbiedwaardige (†735) op het eerste boek Samuël

Hij verheft de geringe

‘De Heer richt de behoeftige op uit het stof, Hij verheft uit het vuil de geringe’ (1 Sam. 2, 8). God wekt Christus op uit de doden, opdat zijn lichaam geen bederf zal zien. Hij verheft Hem ten hemel. ‘Hij geeft Hem een plaats bij de aanzienlijken, een eervolle zetel wijst Hij Hem toe’ (1 Sam. 2, 8). De Heer heeft zelf dit vers verklaard, toen de leerlingen Hem vragen stelden. Het zijn de leerlingen die Hij arm gemaakt had om hen rijk te maken. Hij vernederde hen op aarde om hen in de hemel te verheffen. Zij vroegen Hem welk loon zij eens zouden ontvangen. Hij antwoordde daarop: ‘Wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid, zult ook gij die Mij gevolgd zijt, gezeten zijn op twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israël’ (Mt. 19, 28).

‘De zuilen der aarde zijn van de Heer, Hij heeft de wereld daarop gegrondvest’ (1 Sam. 2, 8). Bedoeld zijn niet zozeer de voorgebergten en de hoge rotsen die God tegenover de woede van de stormende zee gezet heeft om de aarde te beschermen. Veeleer gaat het om de standvastige en sterke harten van zijn gelovigen die Hij gesteld heeft om zijn kerk te bewaren, opdat de golven van stormachtige vervolging haar niet ten val brengen. De zuilen die de aarde dragen, noemt Hij ook vorsten die op tronen zitten. Dat doet Hij terecht, want hoe dieper zij nu gebukt gaan onder de last van de aarde en hoe vastberadener zij haar verdedigen, des te hoger zullen de tronen zijn waarop zij eens bij het oordeel zullen plaats nemen. Want om de last van de zwakken krachtig te dragen, blijven zij in deemoed de nek buigen. Na de beslissing van het laatste oordeel zal God het rijk van Christus dat de ongelovigen nu verachten, in zijn hoogheid openbaren, doordat Hij de heerlijkheid van zijn majesteit zal tonen.