Ter voorbereiding van de viering van maandag 02-08-2021

Ter voorbereiding van de viering van maandag 02-08-2021

Begin van de verhandeling van de heilige Ambrosius, bisschop van Milaan († 397), over de mysteriën

De catechese over de riten vóór het doopsel

In de voorbereidingstijd hebben wij u dagelijks onderhouden over het zedelijk leven, toen uit de geschiedenis van de aartsvaders en uit de voorschriften van het boek der Spreuken werd voorgelezen. Door die vorming en dat onderricht moest gij eraan gewoon raken de paden van onze voorvaderen te betreden, hun reisweg te volgen en gehoor te geven aan Gods geboden. Want na de vernieuwing door het doopsel moet gij leven zoals het gedoopten past.

Nu is het tijdstip gekomen om over de mysteriën te spreken en het wezen zelf van de sacramenten te verklaren. Want als wij hadden gemeend die verklaring te moeten geven vóór uw doopsel, toen gij nog niet waart ingewijd, zou men ons eerder als verraders dan als verklaarders hebben beschouwd. Bovendien kan het licht zelf van de mysteriën beter doordringen bij hen die er geen weet van hebben, dan wanneer een of andere uiteenzetting is voorafgegaan.

Opent dus uw oren en neemt in u de goede geur van het eeuwig leven op, die over u is uitgeademd door de gave van de sacramenten. Dat hebben wij, toen wij het mysterie van de ‘opening der oren’ vierden, aan u te verstaan gegeven met de woorden: ‘Effeta, wat betekent: ga open’ (Mc. 7, 34). Want iedereen die toegang krijgt tot de genade, moet begrijpen wat hem gevraagd wordt en weten wat hij antwoordt. Ditzelfde mysterie heeft ook Christus gevierd in het evangelie, toen Hij de doofstomme genas, zoals wij daar kunnen lezen.

Hierna is voor ieder van u het heilige der heiligen ontsloten en zijt gij binnengetreden in het heiligdom van de wedergeboorte. Denk terug aan wat men u gevraagd heeft, herinner u wat gij geantwoord hebt. Gij hebt verzaakt aan de duivel en zijn werken, aan de wereld met zijn genotzucht en zijn lusten. Dat woord van u blijft bewaard, niet in een graf van doden, maar in het boek van de levenden.

Daar hebt gij de diaken gezien, de priester gezien en de bisschop gezien. Let niet op hun lichamelijk voorkomen, maar op de genade van hun ambt. In het bijzijn van engelen hebt gij gesproken, want er staat geschreven: ‘De lippen van de priester moeten de kennis bewaren en uit zijn mond verwacht men de leer, omdat hij een engel is van God, de Heer van de machten’ (Mal. 2, 7). Hier is geen vergissing of ontkenning mogelijk: hij die het rijk van Christus en het eeuwig leven verkondigt, is een engel van God. Hij moet niet naar zijn uiterlijk, maar naar zijn ambt geoordeeld worden. Heb aandacht voor wat hij u heeft overgeleverd, heb aandacht voor zijn bediening en erken zijn waardigheid.

Gij zijt dus binnengetreden om uw tegenstander in de ogen te zien en, zoals van u wordt verwacht, openlijk aan hem te verzaken. Daarom keert gij u naar het oosten, want wie aan de duivel verzaakt, keert zich tot Christus en ziet Hem recht in het gelaat.