Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een homilie van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over de Handelingen van de Apostelen

Wijs aan, Heer, wie Gij hebt uitverkoren

‘In die dagen stond Petrus op te midden van zijn broeders en sprak’ (Hand. 1, 15). Als een vurig man, aan wie door Christus de kudde is toevertrouwd, en als de eerste in het koor staat Petrus altijd vooraan om het woord te nemen: ‘Mannenbroeders, één uit ons midden moet gij kiezen.’ Hij laat de keuze over aan de menigte. Daarmee toont hij zijn achting voor de aanwezigen en behoedt zich voor afgunst bij de anderen. Want zo iets is altijd een bron van veel kwaad.

Mocht Petrus dus zelf niet de keuze maken? Dat mocht hij zeker, maar hij wil niet de schijn wekken dat hij een gunst verleent. Daarom doet hij het niet. Bovendien had hij de Geest nog niet ontvangen. ‘Men stelde er twee voor: Jozef, ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus, en Mattias’ (Hand. 1, 23). Niet Petrus zelf, maar allen deden dit. Hij deed wel het voorstel, maar maakte ook duidelijk dat het niet van hem kwam, maar uit een vroegere profetie. Hij gaf dus uitleg en leerde niet iets nieuws.

‘Het moet een van de mannen zijn die tot ons gezelschap behoorden’ (Hand. 1, 21), zei hij. Merk op, hoe hij wil dat zij ooggetuigen zijn. Ook al moest de Geest nog komen, toch was dit een belangrijk punt.

‘Een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer onder ons verkeerde’ (Hand. 1, 21). Hij bedoelt dat zij met de Heer geleefd hebben en niet alleen maar leerlingen geweest zijn. Want vanaf het begin trokken velen met Hem mee. Merk op, hoe er geschreven staat: ‘Hij was één van de twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan’ (Joh. 1, 40).

‘Gedurende de hele tijd,’ zegt Petrus, ‘dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes’ (Joh. 1, 21-22). Want de gebeurtenissen die daaraan voorafgegaan waren, kende niemand nauwkeurig, maar zij vernamen het door de Geest.

‘Tot de dag,’ zegt Petrus, ‘waarop Hij van ons werd weggenomen om met ons een getuige te worden van zijn verrijzenis’ (Hand. 1, 22). Hij zei niet: ‘getuige van al het andere’, maar alleen ‘getuige van zijn verrijzenis’. Want het meest betrouwbaar was degene die kon zeggen: ‘Hij die gegeten en gedronken heeft, en gekruisigd is, Hij is het die verrezen is.’ Hij moest dus geen getuige zijn van de gebeurtenissen in de tijd daarvoor en in de tijd daarna, ook niet van de wondertekenen. Waar het om ging, dat was de verrijzenis. Want al het overige was duidelijk en algemeen bekend, terwijl de verrijzenis in een besloten kring had plaatsgevonden en alleen voor hen openbaar was.

Toen baden allen te zamen: ‘Gij, Heer, die aller harten kent, wijs hem aan’ (Hand. 1, 24). Er staat ‘Gij’, niet ‘wij’. Op het goede ogenblik roepen zij Hem aan die de harten kent: Hij moet de keuze maken. Zo waren zij vol vertrouwen, want in ieder geval moest het er één worden. Zij zeiden ook niet: ‘kies iemand uit’, maar ‘wijs de gekozene aan’, letterlijk: ‘wie Gij gekozen hebt’ (Hand. 1, 24). Want zij wisten dat alles al door God was bepaald. ‘Toen liet men hen loten’ (Hand. 1, 26). Zij achtten zich nog niet waardig om zelfstandig een keuze te maken en daarom wilden zij dit door een teken vernemen.