Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Uit een preek van de heilige Bernardus, abt van Clairvaux († 1153)

Met de volheid van de tijd kwam ook de godheid in heel haar volheid

Abt Bernardus van Clairveaux

‘De goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is verschenen’ (Tit. 3, 4). Dank aan God: door Hem gewordt ons overvloedige vertroosting op onze pelgrimstocht, in onze ballingschap, in onze ellende.

Voordat Gods mensenliefde verscheen, bleef zijn goedheid verborgen, hoewel zij er toen ook al was: ‘want Gods erbarmen blijft altijd en eeuwig’ (Ps. 103 (102), 17). Maar hoe kon de mens de grootheid ervan weten? Gods barmhartigheid werd beloofd, maar nog niet ervaren, en daarom waren er velen die er niet in geloofden. Immers, ‘vele malen en op velerlei wijzen sprak God door de profeten’ (Heb. 1, 1). Mijn plannen, zei Hij, zijn plannen van vrede, niet van onheil (vgl. Jer. 29, 11). Maar wat antwoordde de mens die het onheil wel aan den lijve ondervond, doch geen vrede kende? Hoe lang nog zult gij zeggen: vrede, vrede, terwijl er van vrede geen sprake is? (vgl. Jer. 6, 14). Daarom zullen de verkondigers van de vrede bittere tranen storten (vgl. Jes. 33, 7): ‘Heer, wie kan nog geloven wat wij hebben gehoord?’ (Jes. 53, 1). Maar laten de mensen thans hun eigen ogen geloven, want ‘betrouwbaar is alles wat Gij betuigt’ (Ps. 93 (92), 5). Immers, opdat dit zelfs voor een troebel oog niet verborgen zou zijn, heeft Hij in het zonlicht zijn tent geplaatst (vgl. Ps. 19A (18A), 6).

Zie, de vrede is niet langer een belofte doch een feit, niet langer uitgesteld maar geschonken, niet langer een voorspelling maar werkelijkheid. Zie, God de Vader stuurde als het ware een geldbuidel vol barmhartigheid naar de aarde, een buidel die door het lijden moest worden opengescheurd om het daarin verborgen losgeld voor ons uit te storten. Weliswaar een kleine buidel, maar een die boordevol was. Want ‘een kind is ons gegeven’, maar daarin ‘is de godheid in heel haar volheid aanwezig’ (Jes. 9, 6; Kol. 2, 9). Immers, met de volheid van de tijd kwam ook de godheid in heel haar volheid. Deze kwam in een mensenlichaam om voor mensen zichtbaar te worden en om, door de verschijning van God als mens, Gods goedheid bekend te maken. Want waar God als mens verschijnt, daar kan zijn goedheid niet verborgen blijven. Hoe had God een overtuigender bewijs van zijn goedheid kunnen geven dan door mijn lichaam aan te nemen? Ja, mijn lichaam, niet dat van Adam zoals dit was vóór de zondeval.

Wat getuigt meer van zijn barmhartigheid dan dat Hij mijn ellende op zich nam? Kan men zich een volmaakter mensenliefde indenken: Gods Woord is voor ons vergankelijk geworden als gras? ‘Heer, wat is toch de mens dat Gij zoveel belang in hem stelt en hem uw aandacht blijft wijden?’ (Job 7, 17). Hieruit moet de mens toch wel opmaken hoever Gods zorg voor hem gaat. Hierdoor moet hij toch wel weten wat God over hem denkt en hoe Hij hem gezind is. Vraag niet, o mens, wat gij te lijden hebt, maar wat Hij geleden heeft. Hoe dierbaar gij Hem zijt, maak dat op uit wat Hij voor u geworden is; dan zal zijn goedheid u verschijnen vanuit zijn mensheid. Want hoe kleiner Hij zich maakte in zijn menselijkheid, des te groter toonde Hij zich in zijn goedheid. En hoe meer Hij zich voor mij vernederde, des te dierbaarder is Hij mij. ‘Verschenen is de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland’, zegt de Apostel (Tit. 3, 4). Ja, groot en overduidelijk is Gods goedheid en mensenliefde, en een groot bewijs van zijn goedheid is ons gegeven door Hem die de naam van God verbonden heeft met de mensheid.