Preek op 10-10-202025, 28e zondag door het jaar C in verpleeghuis Zuyder Waert, pastoor Frank Domen

Preek op 10-10-202025, 28e zondag door het jaar C in verpleeghuis Zuyder Waert, pastoor Frank Domen

Openingswoord

Lieve mensen, welkom, vandaag horen we een bijzonder mooi verhaal uit de Bijbel over een man, die genezen werd: Naäman, een Syrische legeraanvoerder. Hij had een ernstige huidziekte, en niemand kon hem helpen. Maar op aanraden van een profeet ging hij zich zeven keer wassen in de rivier de Jordaan. En wonder boven wonder: hij werd helemaal beter. Zijn huid werd weer zacht, als die van een kind.

Soms voelen wij ons misschien ook een beetje als Naäman — moe, kwetsbaar, afhankelijk van anderen. Maar dit verhaal herinnert ons eraan, dat God altijd nabij is, ook als we ons niet sterk voelen. Hij geneest niet alleen onze wonden aan de buitenkant, maar ook die van binnen — verdriet, eenzaamheid, onrust.

Naäman ontdekte, dat er maar één echte God is, een God, die leven en liefde schenkt. En dat is wat we vandaag ook mogen ervaren: dat God ons aanraakt, ons verfrist en ons hart weer nieuw maakt, net als bij Naäman.

Laten we Hem danken, dat Hij bij ons is, hier in ons huis, in onze herinneringen en in de mensen om ons heen. Hij laat ons nooit alleen.

Openingsgebed

Almachtige God, uw goedheid valt met geen goud te kopen. Alleen aan hen die nederig van harte zijn, schenkt Gij de volle maat van menslievendheid. Bevrijd ons van de hoogmoed die ons ongenaakbaar maakt. Raak ons met uw reddende barmhartigheid. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.

Preek

En onderweg werden zij gereinigd. Eén van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God met luide stem.

Lieve mensen, wat is het mooi om vandaag samen te zijn, om even stil te worden en te luisteren naar het verhaal van Jezus en de tien zieke mensen. Tien melaatsen — dat waren mensen, die niet meer mochten meedoen. Ze mochten niet naar huis, niet naar de markt, niet naar de tempel. Ze leefden buiten de stad, ver van hun familie. Ze waren eenzaam, verdrietig en bang. Mensen liepen voor hen weg, omdat ze bang waren om zelf ziek te worden. Ze waren niet alleen lichamelijk ziek, maar ook van binnen kapot door de afwijzing.

En dan komt Jezus. Hij kijkt niet weg, Hij loopt niet door, maar Hij ziet hen. Dat is het eerste wat in dit evangelie zo bijzonder is: Jezus ziet hen, echt. Niet alleen hun ziekte, niet hun buitenkant, maar hun hart. En Hij ziet ook ons. Hoe oud we ook zijn, hoe verward we soms raken, hoe stil het soms in ons hart is — Jezus ziet ons. Hij kent onze naam. In zijn ogen zijn wij geen vergeten mensen, maar geliefde kinderen van God.

De melaatsen roepen luid: “Jezus, Meester, ontferm U over ons!” En Jezus hoort dat. Hij stuurt hen op weg naar de priesters — een teken, dat ze weer bij de mensen mogen horen. En terwijl ze nog onderweg zijn, gebeurt het wonder: ze worden genezen. Niet in één klap met een bliksemstraal, maar onderweg. Zo werkt God vaak ook in ons leven: stilletjes, stap voor stap, onderweg. In kleine dingen — een glimlach, een vriendelijk gebaar, een herinnering, die plotseling terugkomt, een lied, dat we nog kennen — daar kan iets genezend in zitten.

Van de tien genezen mensen komt er echter maar één terug om dankjewel te zeggen. En dat is een vreemdeling, een Samaritaan. Hij valt neer bij Jezus’ voeten, vol dankbaarheid. En Jezus zegt tegen hem: “Je geloof heeft je gered.”

Dat is een diepe zin. Niet alleen zijn huid is genezen, maar ook zijn hart. Want dankbaarheid maakt het hart warm. Dankbaarheid opent de deur naar vrede. De negen anderen waren wel genezen, maar deze man werd gelukkig. Hij voelde zich weer heel vanbinnen, omdat hij dankbaar was.

Misschien herkennen wij ons wel in die ene man. We hebben allemaal veel meegemaakt — blijde dagen en droeve dagen, verlies en vreugde, afscheid en nieuw begin. En toch zijn we hier, samen, levend, gedragen door de liefde van God. Misschien kunnen wij vandaag ook even in stilte tegen Jezus zeggen: “Dank U, Heer, dat U er bent. Dank U voor de mensen, die voor mij zorgen, voor de handen, die mij helpen, voor de ogen, die mij zien.”

En weet je, ook al kunnen we niet alles meer onthouden, ook al raken namen of woorden kwijt — God vergeet ons nooit. In zijn hart blijven we altijd aanwezig. Hij weet wie we zijn, Hij kent onze verhalen, zelfs de stukjes die wij niet meer weten.

Als Jezus zegt: “Uw geloof heeft u gered,” bedoelt Hij: blijf vertrouwen. Ook als het donker wordt, als het lichaam zwak wordt, als herinneringen vervagen — blijf geloven, dat Hij dichtbij is.

De man, die genezen was, ging terug om te danken. Wij kunnen dat ook doen, elke dag een beetje. Door te glimlachen, door een vriendelijk woord te zeggen, door in ons hart te fluisteren: “Dank U, Heer.”

Want waar dankbaarheid is, daar komt vrede. Waar geloof is, daar is genezing. En waar Jezus is, daar is altijd liefde — een liefde, die nooit vergaat, die blijft, ook als alles om ons Heen verandert. amen.

Openingsgebed bij de voorbede

Heer onze God, Gij ziet ieder van ons met liefde aan. Daarom durven wij vol vertrouwen samen tot U te komen met onze vragen, voor onszelf en voor onze medemensen in nood.

Slotgebed bij de voorbede

Goede God, Gij hebt ons gehoord in ons bidden en dankzeggen. Gij zijt nabij aan wie ziek, zwak of eenzaam zijn. Laat uw liefde onze harten verwarmen, zodat wij steeds leven in geloof, vrede en dankbaarheid. Door Christus, onze Heer. Amen.