Overweging op 24-10-2025 b.g.v. de 30e zondag door het jaar C in Hugo Waard, Jannie Ligthart
Openingswoord
Dierbare medegelovigen, welkom bij de viering van de 30e zondag door het jaar. In de eerste lezing, uit het boek Ecclesiasticus maakt God ons duidelijk hoe Hij naar onze gebeden luistert en hoe Hij ermee omgaat, hoe God er op reageert.
Over onze gebeden zal Hij zich altijd ontfermen, zonder aanzien des persoons, en is Hij altijd, liefdevol barmhartig.
In het evangelie lezen we, dat onze innerlijke gebedshouding en onze gebedstaal belangrijk is, en dat het van invloed is, op Gods reageren. De ondeugd van de hoogmoed, je beter, meer – waardig, dan een ander voelen, wijst God af.
Zoals wel vaker worden we gewezen op de deugd van de nederigheid, en moeten we ons realiseren, dat we alles wat we kunnen, weten en hebben, we van God, onze Schepper hebben gekregen.
Overweging
Beste medegelovigen, lieve medemens, evenals vorig weekend, gaan de lezingen van vandaag over bidden. Vorige week hoorden we een verhaal uit het Oude Testament waarin het aanhoudend gebed van Mozes ter sprake kwam. Mozes kon aanhoudend in gebed blijven, omdat hij door Aäron en Chur geholpen werd. In het Evangelie ging het over een onrechtvaardige rechter en een weduwe. Deze parabel was van Jezus een aansporing voor ons, om zonder ophouden te bidden en niet op te geven. Als wij blijven vertrouwen en geloven, luistert God welwillend naar ons. Hij zal ons niet vergeten als wij standvastig blijven bidden en de moed niet opgeven.
In de Evangelielezing van vandaag, gaat het over twee personen, die aan het bidden zijn, en over hoe Jezus denkt over mensen die zich meer, die zich beter dan een ander voelen. Jezus heeft het in zijn gelijkenis over een Farizeeër en een tollenaar. Een Farizeeër kende de wet van Mozes, en het naleven van die wet was voor hem hoofdzaak. Ze scheidden zich af, voelden zich beter dan het gewone volk, dat de wet onvoldoende kende en naleefde.
Een tollenaar was iemand, die tol, belasting, ophaalde namens de Romeinse overheid. In die tijd werd op tollenaars neergekeken, omdat ze samenwerkten met de Romeinen en omdat ze vaak meer geld eisten dan nodig.
Als ik in het Evangelie een plaats inneem, in het hier en nu, kan ik me afvragen, wel gedrag bij mij past. Het gedrag van de tollenaar of van de Farizeeër. Ben ik zo hooghartig, zo zelfingenomen als die Farizeeër? Me met de Farizeeër vergelijken voelt niet goed.
Dan zet ik me liever op de plaats van de tollenaar. Maar die tollenaar zegt: “God, wees mij zondaar genadig.” Hierin horen we een woord, dat in onze tijd moeilijk begrepen wordt; ‘zondaar’, Vaak denken we, dat we niets verkeerd doen, en zijn we daar nog trots op ook. Kan ik me dan wel in de tollenaar verplaatsen? Ken ik mezelf zo goed dat ik me een zondaar weet?
Wanneer we ons met de Farizeeër vergelijken, dan zijn we gewaarschuwd voor eigenmachtig en eigengereid gebed, waarbij we denken en doen alsof we alles van onszelf hebben. Maar wanneer we ons met de tollenaar vergelijken, mag het niet zo zijn, dat we zijn materialistische en egoïstische levenswijze navolgen. Wat Jezus ons als belangrijk voorhoudt, is dat de tollenaar echt berouw had, dat hij zich bewust was van zijn zonden en zich zo naar God opstelde. Jezus prijst het in die tollenaar, dat hij besefte, dat hij een zondaar was en dat hij bereid was dit aan God te belijden. Wanneer wij dus in onze tijd zeggen: “Wat doe ik nu verkeerd”, staan we in feite dichter bij de Farizeeër dan bij de tollenaar. Als Jezus mag kiezen, heeft hij blijkbaar liever met een tollenaar te doen, die weet dat hij een zondaar is, en zich naar Hem toekeert, dan met een Farizeeër, die vindt dat hij rechtvaardig is en blij, dat hij niet zo slecht is als die tollenaar.
Laten we het gedrag van de Farizeeër en de tollenaar vergelijken met de levenswijze van Jezus. Jezus bidt niet hooghartig als een Farizeeër, maar Hij leeft ook niet egoïstisch en geldzuchtig als de tollenaar. Als volgelingen van Jezus willen we ons met Hem identificeren, zijn levenswijze in doen en laten navolgen. Elke dag zullen we misstappen maken in ons doen en laten en beseffen we, dat wij allen zondigen.
Het besef, dat we allen zondaars zijn, maakt ons bescheiden en nederig, maar niet wanhopig. Want we weten dat als Jezus zoveel mededogen met die tollenaar heeft, Hij ook met ons begaan is, dat Hij ons genadig zal zijn. Laat dat een troost zijn. Dan zal het ons bemoedigen en aansporen, om berouwvol te zeggen: “God wees mij zondaar genadig.”
Het is jammer, dat na Vaticanum II in 1963, men het erkennen en belijden van onze misstappen in doen en laten, het biechten, als niet meer nodig, opzij heeft geschoven.
Men is vergeten dat het Sacrament van de Biecht, ook wel van Boete en Verzoening genoemd, een door Christus zelf ingesteld sacrament is. Het is een sacrament dat ons, door de genade van genezing en verzoening, dichter bij God en onszelf brengt. Als we klein en nederig erkennen waarin we tekort komen, zal God ons optillen.
Zoals in het evangelie staat: “Wie zich vernedert zal verheven worden”. Amen.