Overweging ter voorbereiding van 15-12-2025, maandag in de derde week van de advent

Uit de verhandeling van Willem, abt van Saint-Thierry († 1148), over de aanschouwing van God

God heeft ons het eerst liefgehad

Gij zijt werkelijk alleen de Heer. Heersen over ons betekent voor U: ons redden. Voor ons betekent U dienen niets anders dan door U gered te worden.

Heer, van U komt alle heil en Gij zijt de zegen van uw volk (vgl. Ps. 3, 9). Wat is uw heil anders dan dat wij van U de gave ontvangen U te beminnen of door U bemind te worden?

Daarom, Heer, hebt Gij gewild dat de Zoon aan uw rechterhand, de Mens die Gij kracht hebt verleend, Jezus genoemd zou worden, dat wil zeggen: Redder, ‘want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden’ (Mt. 1, 21) en ‘bij niemand anders is dan ook de redding te vinden’ (Hand. 4, 12). Hij heeft ons geleerd Hem te beminnen, doordat ‘Hij ons het eerst heeft liefgehad’ (1 Joh. 4, 19), ‘tot de dood aan het kruis’ (Fil. 2, 8). Door ons zo te beminnen en lief te hebben wekte Hij ons op Hem te beminnen, die ons het eerst heeft liefgehad tot het uiterste toe (vgl. Joh. 13, 1).

En zo is het inderdaad: Gij hebt ons het eerst liefgehad, opdat wij van U zouden houden. Niet dat Gij onze liefde nodig zoudt hebben, maar wij kunnen het doel waarvoor Gij ons geschapen hebt, alleen bereiken door U te beminnen.

Daarom hebt Gij, na ‘eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken’ te hebben ‘door de profeten, op het einde der tijden tot ons gesproken door de Zoon’ (Heb. 1, 1), door uw Woord: ‘Hij heeft de hemel gemaakt door zijn woord, zijn stem schiep de hemelse machten’ (Ps. 33 (32), 6).

Uw spreken door uw Zoon was niets anders dan in het daglicht stellen en openbaren hoezeer en op welke wijze Gij van ons gehouden hebt, Gij die zelfs uw eigen Zoon niet gespaard hebt, maar voor ons allen hebt overgeleverd (vgl. Rom. 8, 32). Hij heeft ons liefgehad en zichzelf voor ons overgeleverd (vgl. Gal. 2, 20).

Dit is uw Woord gericht aan ons, Heer, dit is ‘uw alvermogend Woord’ (Wijsh. 18, 15): ‘terwijl een diepe stilte’- de diepte namelijk van de dwaling -‘alles omgaf’ (Wijsh. 18, 14), kwam dit Woord van zijn koningstroon als een hardnekkig bestrijder van de dwalingen en als een zachtmoedig leraar van de liefde.

En al wat Hij deed, al wat Hij op aarde verkondigde en tenslotte ook de versmadingen, bespuwingen, kaakslagen, het kruis en het graf: dat alles was niets anders dan uw spreken tot ons in de Zoon: door uw liefde werd onze liefde voor U gewekt.

Gij, God, Schepper van de ziel, wist immers dat in de ziel van de mensenkinderen die genegenheid niet afgedwongen kan worden, maar juist gewekt moet worden. Want waar dwang is, bestaat geen vrijheid. En waar geen vrijheid is, daar is ook geen gerechtigheid.

Gij wilde dus dat wij van U zouden houden. Wij zouden niet rechtmatig gered kunnen worden, als wij niet van U zouden houden. Maar wij zouden U niet kunnen beminnen, als de liefde niet van U afkomstig zou zijn. Daarom, Heer, hebt Gij – zoals de Apostel van uw liefde zegt en zoals ook wij reeds zeiden – ons het eerst liefgehad. Allen die U liefhebben, bemint Gij het eerst.

Maar wij beminnen U met de door U ingeschapen liefdevolle genegenheid. Uw liefde echter is uw goedheid, o hoogste goed, en is zelf het hoogste goed, namelijk de heilige Geest die voortkomt uit de Vader en de Zoon. Vanaf het begin van de schepping zweefde Hij ‘over de wateren’ (Gen. 1, 2), dat wil zeggen: boven de wankele geesten van de mensenkinderen. Aan allen biedt Hij zich aan en alles trekt Hij tot zich. Hij bezielt en inspireert, Hij weert al wat schaadt en voorziet in wat nuttig is: zó verenigt Hij God met ons en ons met God.