Uit de ‘Levenslessen bij het boek Job’ van de heilige paus Gregorius de Grote († 604)
Het goede nemen we wel aan van God, waarom dan het kwade niet?
Toen Paulus in zijn hart de rijkdom van de innerlijke wijsheid aanschouwde en zag dat hij uiterlijk een vergankelijk lichaam bezat, zei hij: ‘Wij dragen deze schat in aarden potten’ (2 Kor. 4, 7). Bij de zalige man Job voelde het uiterlijk vaatwerk al de scheuren van de zweren, maar toch bleef binnenin de schat onaangetast. Aan de buitenkant teerde hij weg vanwege zijn wonden, maar aan de binnenkant ontsproot onuitputtelijk de schat van de wijsheid en ze trad in woorden van heilige leer naar buiten. Hij zei: ‘Het goede nemen we wel aan van God, waarom dan het kwade niet?’ (Job 2, 10). Het goede zijn de tijdelijke en eeuwige gaven van God. Daarover zegt de Heer door de profeet: ‘Ik ben de Heer, er is geen ander. Ik heb het licht gemaakt, het duister geschapen, Ik breng vrede, Ik sticht ook onheil’ (Jes. 45, 6-7).
‘Ik heb het licht gemaakt, het duister geschapen.’ Terwijl door plagen aan de buitenkant de droefheid van de pijn wordt opgeroepen, wordt aan de binnenkant door onderrichting het licht van het hart ontstoken. ‘Ik breng vrede, Ik sticht ook onheil’; wij komen tot vrede met God, als datgene wat goed geschapen is maar dat wij verkeerd nastreven, verandert in een plaag die voor ons iets ergs is. Door de schuld zijn wij niet langer in harmonie met God. Het mag ons dus niet verwonderen, als wij door iets ergs worden teruggebracht tot vrede met Hem. Als iets dat goed geschapen is, overgaat tot iets ergs voor ons, dan wordt het hart van de beproefde deemoedig teruggebracht tot de vrede met de Schepper.
Bij de uitspraken van Job valt vooral op dat hij zich met bezonnenheid teweer stelt tegen de pogingen van zijn vrouw om hem te overreden: ‘Het goede nemen we wel aan van God, waarom dan het kwade niet?’ Wanneer wij tegenslag te verduren hebben, geeft onze ellende ons een grote troost, als wij dan kunnen denken aan de gaven van de Schepper. De pijn die ons treft, breekt ons dan niet. Het hart denkt immers aan de gave die ons opricht. Daarom staat er geschreven: ‘In voorspoed wordt de tegenslag vergeten, in tegenspoed weet men niet meer van de voorspoed’ (Sir. 11, 25).
Wie namelijk de geschenken aanvaardt, maar zich op dat ogenblik helemaal niet de beproeving voor de geest haalt, zo iemand grijpt te hoog en valt door de vreugde. Wie echter door plagen getroffen wordt en zich helemaal geen troost gunt door de vreugde die hij ondervindt, zo iemand wordt door deze geestestoestand in volledige vertwijfeling te gronde gericht.
Beide aspecten moeten daarom met elkaar verbonden worden. Het ene moet telkens door het andere worden verduidelijkt. De bestraffende tuchtiging dient door de herinnering aan de gaven milder te worden. De vreugde over de gaven dient echter getemperd te worden door de zorg en de vrees voor de tuchtiging. De zalige man Job overweegt bij de smart van het ongeluk de goedheid van de gaven om de pijn van het verwonde hart te stillen: ‘Het goede nemen we wel aan van God, waarom dan het kwade niet?’