Uit de geschriften van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)
Draagt elkanders lasten, en zo zult u de wet van Christus volbrengen
De grootste gave van het Nieuwe Verbond is liefde. Dit kan niet duidelijker uitgedrukt worden dan door deze tekst van Paulus: ‘Draagt elkaars lasten, en zo zult gij de wet van Christus volbrengen’ (Gal. 6, 2). Het is immers duidelijk dat Paulus de opdracht van de Heer zelf om elkaar te beminnen de wet van Christus noemt. En zo belangrijk achtte Christus deze opdracht dat Hij kon zeggen: ‘Uit het feit dat gij elkaar bemint, zal men kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt’ (Joh. 13, 35). De taak nu van deze liefde is: elkaars lasten te dragen. Deze taak duurt niet eeuwig. En toch voert ze tot een eeuwig geluk, waarin er geen lasten meer zullen zijn die wij van elkaar te dragen hebben. Maar in dit leven, dat wil zeggen: nu wij hier onderweg zijn, moeten wij elkaars lasten dragen om eens te komen tot dat leven, waar van last geen sprake meer zal zijn.
Specialisten hebben over de herten geschreven dat deze bij het oversteken van een stroom, op zoek naar een grazige weide op een eilandje, op zo’n manier achter elkaar gaan lopen, dat ze voor elkaar de zware geweien dragen. Het dier dat volgt strekt namelijk de nek en legt zijn kop op het dier dat vóór hem loopt. Maar aangezien er natuurlijk één dier is dat voorop loopt en geen ander dier vóór zich heeft om zijn kop op te leggen, lopen zij, naar men zegt, om beurten voorop. Wanneer dus het dier dat voorop loopt, moe wordt, gaat het op een gegeven moment achteraan lopen. Zijn plaats wordt dan ingenomen door het dier waarvoor het de last van het gewei gedragen heeft. Zo trekken herten, elkaars lasten dragend, een stroom over tot ze weer vaste grond bereiken. Misschien had ook Salomo dit gedrag van de herten op het oog toen hij schreef: ‘Dat het hert van de vriendschap en de tortelduif van de genegenheid zich met u onderhouden’ (Spr. 5, 19). Want er is geen beter bewijs van vriendschap dan het feit dat men de last van zijn vriend draagt.
Niets kan zozeer stimuleren tot deze dienstbaarheid en tot het volbrengen van de opdracht om de last van een ander te dragen, dan de gedachte aan datgene wat de Heer voor ons verdragen heeft. In deze geest spoort Paulus ons aan met de woorden: ‘Die gezindheid moet in u aanwezig zijn welke Christus Jezus bezielde. Hoewel Hij bestond in goddelijke majesteit, heeft Hij toch niet eerzuchtig vastgehouden aan zijn gelijkheid met God. Maar Hij heeft zichzelf ontledigd door het bestaan van een slaaf op zich te nemen, en gelijk te worden aan ons, mensen. In zijn menselijk bestaan heeft Hij zichzelf vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, en wel tot de dood op een kruis’ (Fil. 2, 5-8). Reeds eerder in deze tekst had Paulus gezegd: ‘Ieder moet bedacht zijn op het welzijn van anderen en niet op het eigen belang’ (Fil. 2, 4). De zojuist aangehaalde tekst sluit aan op deze zin, want onmiddellijk daarop vervolgt Paulus: ‘Die gezindheid moet in u aanwezig zijn welke Christus Jezus bezielde.’ Dit komt dus hierop neer: door het feit dat het Woord mens werd en onder ons verbleef, en onze zonden op zich nam hoewel Hijzelf zonder zonde was, heeft Christus niet zijn eigen belangen ter harte genomen, maar de onze. Zo moeten ook wij, in navolging van Hem, gaarne elkaars lasten dragen.