Uit het boek ‘Proslogion’ van de heilige Anselmus, bisschop van Canterbury († 1109)
Het verlangen om God te zien
Komaan, kleine mens, ontvlucht even uw beslommeringen, onttrek u een ogenblik aan uw onrustige gedachten. Werp nu uw drukkende zorg weg en laat uw pijnlijke spanningen achterwege. Maak u wat vrij voor God en rust wat in Hem. ‘Ga in de binnenkamer’ (Mt. 6, 6) van uw hart, sluit alles buiten behalve God en datgene wat u helpen kan Hem te zoeken, ‘sluit de deur achter u’ en zoek Hem. Zeg nu, geheel mijn hart, zeg nu tot God: ‘Ik zoek uw aanschijn; uw aanschijn, Heer, verlang ik te zien’ (Ps. 27 (26), 8 – Vulg.).
Welaan dan, Gij Heer mijn God, leer mijn hart waar en hoe het U zoeken moet, waar en hoe het U vinden kan. Heer, indien Gij niet hier zijt, waar moet ik U, hier afwezige, dan zoeken? Indien Gij echter overal zijt, waarom zie ik U, overal aanwezige, dan niet? Zeker, Gij ‘woont in ongenaakbaar licht’ (1 Tim. 6, 16). Maar waar is dat ongenaakbaar licht? Of hoe kan ik naderen tot dat ongenaakbaar licht? Of wie zal er mij heen leiden, er mij binnenvoeren, opdat ik U erin mag zien? En verder: onder welke tekenen, onder welke gedaante moet ik U zoeken? Nooit heb ik U, Heer mijn God, gezien, uw aangezicht ken ik niet.
Wat zal deze banneling doen, allerhoogste Heer, wat zal hij doen, zo ver van U verwijderd? Wat zal uw dienaar doen, die gespannen is uit liefde tot U, maar ‘ver van uw aanschijn’ (Ps. 51 (50), 13) verstoten? Hij snakt ernaar U te zien, maar uw aangezicht is al te ver verwijderd. Hij begeert U te vinden, maar weet niet waar uw verblijf is. Hij verlangt U te ontmoeten, maar kent uw aangezicht niet. Heer, Gij zijt mijn God en mijn Heer, maar nooit heb ik U gezien. Gij hebt mij geschapen en herschapen, en al het goede dat mij ten deel is gevallen, hebt Gij mij verleend, maar nog ken ik U niet. Tenslotte ben ik gemaakt om U te aanschouwen, maar nog heb ik niet bereikt waartoe ik gemaakt ben.
‘Heer, hoelang nog?’ (Ps. 6, 4). ‘Hoelang nog, Heer? Vergeet Gij ons geheel? Hoelang nog blijft Ge uw gelaat voor mij verbergen?’ (Ps. 13 (12), 2). Wanneer zult Gij naar ons omzien en ons verhoren? Wanneer zult Gij onze ogen verlichten en ons uw aangezicht tonen? Wanneer zult Gij U aan ons terugschenken? Zie naar ons om, Heer, verhoor en verlicht ons, toon ons Uzelf. Geef Uzelf aan ons terug, opdat het ons goed mag gaan, die het zonder U zo slecht stellen. Erbarm U over onze moeite en onze pogingen om tot U te komen: zonder U vermogen wij niets.
Leer mij U te zoeken, maar toon U ook aan wie U zoekt. Want ik kan U niet zoeken, als Gij mij niet onderricht, U niet vinden, als Gij U niet toont. Moge ik verlangend zoeken naar U, zoekend verlangen naar U. Moge ik U beminnend vinden, U vindend beminnen.