Overweging ter voorbereiding van 19-11-2025, woensdag in de 33e week door het jaar

Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de herders

Doet wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun daden

‘Daarom herders, hoort het woord van de Heer’ (Ez. 34, 9). Maar welke herders moeten horen? ‘Dit zegt God de Heer: Ik keer mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen opeisen’ (Ez. 34, 10). Luistert, schapen van God, en leert: God eist zijn schapen op van de slechte herders en vraagt rekenschap over hun dood. Want elders zegt Hij bij monde van dezelfde profeet: ‘Mensenkind, Ik heb u als wachter over het volk van Israël aangesteld. Het woord dat ge van Mij verneemt, moet ge hun in mijn Naam meedelen. Als Ik tot de boosdoener zeg: gij zult sterven, en gij waarschuwt de boosdoener niet dat hij zich moet beteren, dan zal die boosdoener sterven vanwege zijn eigen schuld, maar van u eis Ik zijn bloed op. Maar als ge de boosdoener gewaarschuwd hebt dat hij zijn leven moet beteren en hij betert zijn leven niet, dan zal hij vanwege zijn eigen schuld sterven, maar gij blijft in leven’ (Ez. 33, 7-9).

Wat betekent dat, broeders en zusters? Zien jullie hoe gevaarlijk het is te zwijgen? Die mens sterft en hij sterft terecht. Hij sterft in zijn goddeloosheid en in zijn zonde. Want zijn eigen nalatigheid doodt hem. Hij had immers de levende herder kunnen vinden die zei: ‘Zowaar Ik leef, zegt de Heer’ (Ez. 34, 8). Maar omdat hij nalatig geweest is en zijn herder hem niet gewaarschuwd heeft, wat hij als leider en bewaker had moeten doen, zal de zondaar terecht sterven en de herder even terecht veroordeeld worden. De Heer echter zegt: als je tegen een goddeloze zegt: gij zult sterven, en Ik heb hem met het zwaard bedreigd maar hij laat na het dreigende zwaard te ontwijken, en dat zwaard slaat toe en doodt hem (vgl. Ez. 33, 2-5), dan zal die mens in zijn zonde sterven. Jij echter hebt je ziel gered. Daarom mogen wij niet zwijgen. Wat jullie betreft: ook al zouden wij zwijgen, je moet luisteren naar wat de herder in de heilige Schrift zegt.

Laten we nu terugkeren naar ons uitgangspunt en zien of de Heer de schapen van de slechte herders afneemt om ze aan de goede herders te geven. Ik stel inderdaad vast dat Hij van de slechte herders de schapen afneemt. Dit immers zegt Hij: ‘Ik keer Mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan, zodat ze mijn schapen niet langer weiden’ (Ez. 34, 10). Hoe ontslaat Hij hen, zodat ze zijn schapen niet meer weiden? ‘Doet wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun daden’ (Mt. 23, 3). Het is alsof de Heer wilde zeggen: ze spreken wel mijn woorden, maar wat ze doen, is van hen. Als je niet doet wat die slechte herders doen, weiden zij je niet; als je echter doet wat ze je zeggen, dan ben Ik het die je weid.