Overweging ter voorbereiding van 03-11-2025, maandag in de 31e week door het jaar

Uit de geschriften van de priester Alphons Ariëns († 1928)

Wij moeten Christus volgen

Er is een verdieping nodig van ons godsdienstig leven. Hoe leggen wij het anders aan om op peil te komen? We hebben niets anders te doen dan onze catechismus te nemen en de eerste twee vragen aandachtig te overwegen en toe te passen: waartoe zijn wij op aarde? En: wie heeft ons geleerd hoe wij God moeten dienen? Daar zit alles in en ik kan en mag niets anders doen dan u die beide antwoorden een beetje toelichten.

Het eerste is dus: dat wij ons goed doordringen van deze waarheid dat wij maar één doel hebben: God te dienen en zo onze ziel zalig te maken.

Het grote ongeluk van veel overigens goede katholieken is dat ze menen een dubbel doel te hebben: een aangenaam, prettig leventje te leiden hier beneden en dan de hemel toe te krijgen. Die twee doeleinden kunnen, naar ze menen, naast elkaar worden nagestreefd; het leven moet tussen die beide verdeeld worden, waarbij dan het geestelijk doel altijd nog het kleinste part krijgt.

We mogen al die goede en mooie zaken die ons omringen, wel gebruiken. Zeker, ze zijn er voor ons, maar om ons te dienen, zonder erin op te gaan of ons hart eraan weg te schenken. We mogen ze gebruiken, maar als middelen tot ons enig doel, want daarvoor zijn ze bestemd. Ze zijn er voor ons, wij niet voor hen. Zij mogen ons niet boeien, tot slaven maken; ze moeten ons dienen, als zovele sporten op de ladder die naar de hemel leidt.

Dit moet vaststaan: als we het ernstig met ons godsdienstig leven willen opnemen, dan moet er eenheid zijn in ons leven. Het moet voortduren, ons leven moet rechtdoor lopen naar God en de hemel. Niet alleen ’s morgens met de lippen: ‘alles ter ere Gods vandaag’, maar het moet ook werkelijk gedaan worden.

Maar nu komt vanzelf de tweede vraag: op welke wijze zal dit gebeuren? Wat hebben we te doen, opdat werkelijk gezegd kan worden dat ons godsdienstig leven niet oppervlakkig is, maar zijn behoorlijke diepte heeft verkregen?

Dat is weer gemakkelijk te zeggen: de catechismus geeft het antwoord in zijn tweede vraag: hoe wij God moeten dienen, heeft vooral Christus ons geleerd. God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat wij in het heilig doopsel kinderen zouden worden van God en dan, door zijn Geest geleid en vervuld, als goede kinderen van God zouden leven. Hij is het hoofd, wij zijn de ledematen. Hij is het fundament waarop wij als levende stenen moeten worden opgebouwd. ‘Niemand komt tot de Vader dan door Hem’ (Joh. 14, 6). Wij moeten ons dus aansluiten bij Jezus Christus. Wij moeten Christus volgen, en van heel nabij zijn gedachten en gevoelens tot de onze maken. ‘Die gezindheid moet onder u heersen, welke Christus Jezus bezielde’ (Fil. 2, 5). Dan moeten wij ook in zijn voetspoor treden en handelen in overeenstemming met die gezindheid. Want al mogen wij er niet aan denken dat we ooit zouden mogen zeggen wat de heilige apostel Paulus zei: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij’ (Gal. 2, 20), zelfkennis, hoe dan ook, die moet er zijn. Wij moeten dus voortdurend voor God leven, indien van ons gezegd zal kunnen worden dat we waarlijk godsdienstig leven.

Waarin moet dit godsdienstig leven bestaan? Moeten we dit maar doen, zoals ons hoofd, ons hart dat ingeeft? Neen, we moeten dat doen volgens de aanwijzing van onze Moeder, de heilige Kerk. Niemand kan God tot Vader hebben, die de kerk niet tot moeder heeft. En onze Moeder, de heilige Kerk, verwijst ons naar Jezus Christus, haar hemelse Bruidegom.

Wij moeten Jezus Christus volgen. – Hij heeft het zelf gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij: Ik ben de weg’ (Joh. 14, 6).