Uit een preek van de heilige paus Leo de Grote († 461) over de zaligsprekingen
Christelijke wijsheid
De vierde zaligspreking luidt: ‘Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden’ (Mt. 5, 6). Deze honger is niet iets van het lichaam, deze dorst is geen verlangen naar aardse dingen. Veeleer verlangt men verzadigd te worden met het voedsel dat gerechtigheid heet. Veeleer wenst men binnen te gaan in wat nog verborgen is, om van God zelf vervuld te worden. Gelukkig is men als men honger heeft naar deze spijs, de gerechtigheid, en als men smacht naar deze bijzondere drank. Ongetwijfeld zou men daarnaar niet verlangen, als men niet reeds iets van zijn zoetheid geproefd had. Want wie de uitnodiging van de profeet hoort: ‘Proeft en merkt op hoe mild de Heer is’ (Ps. 34 (33), 9), krijgt een voorproef van de hemelse zoetheid en ontvlamt in liefde voor dit reine genot; hij versmaadt al het tijdelijke en brandt van verlangen naar de spijs en drank van de gerechtigheid. Dan begrijpt hij ook wat het zeggen wil: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’ (Mt. 22, 37). Want God beminnen is niets anders dan de gerechtigheid liefhebben.
Tenslotte, zoals op die liefde tot God de zorg voor de naaste volgt, zo wordt aan dit verlangen naar gerechtigheid de deugd van barmhartigheid verbonden, waar gezegd wordt: ‘Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden’ (Mt. 5, 7).
Erken, christen, hoe waardevol uw wijsheid is, en zie in tot welk loon gij zijt geroepen en door het naleven van welke leer gij dit zult bereiken. De goddelijke barmhartigheid wil dat gij barmhartig zijt, de goddelijke gerechtigheid verlangt dat gij rechtvaardig zijt. Want de Schepper moet in zijn schepsel zichtbaar worden en in het mensenhart moet als in een spiegel het beeld van God weerkaatst worden door de gelijkenis van de navolging. Het geloof dat samengaat met de werken, heeft niets te vrezen; wat gij verlangt, zal u ten deel vallen en alles waar uw liefde naar uitgaat, zult gij voor altijd bezitten.
En omdat door de aalmoes alles voor u rein wordt, zult gij ook die zaligheid bereiken die vervolgens door de Heer wordt beloofd: ‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’ (Mt. 5, 8). Hoe groot geluk, geliefden, wacht degene aan wie dit loon is beloofd! Wat is dus een zuiver hart hebben anders dan zich toeleggen op eerder genoemde deugden? Maar welk verstand kan begrijpen en welke tong verklaren hoe groot geluk het is God te zien? En toch, wanneer de natuur van de mens veranderd zal worden, zal men dit bereiken. Dan zal men de godheid zelf die geen mens kan aanschouwen, niet meer onduidelijk als in een spiegel, maar van aangezicht tot aangezicht mogen zien (vgl. 1 Kor. 13, 12). Dan zal men in de vreugde van een eeuwigdurende aanschouwing datgene mogen bezitten wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat geen mens zich kan voorstellen (vgl. 1 Kor. 2, 9).