Uit het commentaar van de heilige priester Hiëronymus († 419 / 420) op de profeet Joël
Keer tot Mij terug
‘Keer tot Mij terug, van ganser harte’ (Joël 2, 12) en toon je spijt door vasten, door tranen en rouw. Vast je nu, dan zul je later verzadigd zijn. Ween je nu, dan zul je later lachen. Rouw je nu, dan zul je later troost vinden. Het is de gewoonte je kleren te scheuren bij droefheid en tegenslag. Dat deed ook de hogepriester om de schuld van onze Heer en Verlosser te benadrukken, zo lezen we in het evangelie (vgl. Mt. 26, 65). Ook Paulus en Barnabas hebben dit gedaan, bij het horen van godslasterlijke woorden (vgl. Hand. 14, 14). Maar ik zeg je: scheur niet je kleren, maar scheur je hart dat vol zonden is (vgl. Joël 2, 13). Het is als met een leren zak: trekt men die niet kapot, dan scheurt hij toch wel. En als je dat gedaan hebt, keer dan terug tot de Heer, je God, van wie je door de zonde vervreemd was. Wanhoop niet aan de vergeving, hoe groot de zonden ook waren, want grote zonden worden door een grote barmhartigheid gedelgd.
Welwillend is de Heer en barmhartig. Hij wil het berouw van de zondaar liever dan zijn dood. Hij is geduldig en vol liefde. Hij is niet zoals mensen ongeduldig, maar wacht lang op ons berouw. Hij staat voor ons klaar en heeft spijt, als het slecht gaat. Als wij berouw hebben over onze zonden, betreurt Hij zijn dreigementen en brengt die niet ten uitvoer. Door onze verandering van gezindheid verandert ook Hij. Met het slechte is hier niet het tegendeel van deugd bedoeld maar de ellende waarvan we lezen: ‘Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed’ (Mt. 6, 34), en: ‘Gebeurt er ooit in een stad een ramp zonder dat de Heer daar de hand in heeft?’ (Am. 3, 6).
Joël had al gezegd: ‘God is genadig en barmhartig, lankmoedig en vol liefde’ (Joël 2, 13). Hij staat voor ons klaar als het slecht gaat of Hij heeft spijt, maar zo’n grote barmhartigheid mag ons niet onzorgvuldig maken. Daarom voegt de Heer er in de persoon van de profeet aan toe: ‘Wie weet? Misschien keert Hij terug, misschien krijgt Hij spijt en schenkt Hij ons een zegen’ (Joël 2, 14). Ik voor mij, zegt de profeet, ik spoor aan tot berouw; ik weet dat God onzegbaar goed is. Daarom heeft David gezongen: ‘God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen’ (Ps. 51 (50), 1). Maar wij kunnen de diepte van de rijkdom, van de wijsheid en van de kennis van God niet vatten. Daarom temper ik mijn woorden. Het is meer een verlangen dan durf, wanneer ik zeg: ‘Wie weet? Misschien keert Hij terug, misschien krijgt Hij spijt.’ Dat ‘Wie weet’ wijst op een onmogelijke of toch moeilijke zaak.
De woorden ‘een meeloffer en een plengoffer voor de Heer onze God’ (Joël 2, 14) betekenen dat we God onze offers kunnen brengen, nadat Hij ons zijn zegen gegeven heeft en onze zonden vergeven.