Overweging ter voorbereiding van 18-09-2025, donderdag in de 24e week door het jaar

Uit de verhandelingen van Balduïnus, bisschop van Canterbury († 1190)

Even sterk als de dood is de liefde

Sterk is de dood, want hij vermag ons de gave van het leven te ontnemen; maar even sterk is de liefde, want zij vermag ons een beter leven in de plaats te geven.

Sterk is de dood, want hij is bij machte ons van ons lichaam te beroven; maar even sterk is de liefde, want zij is bij machte aan de dood zijn buit te ontrukken en ons die terug te schenken.

Sterk is de dood, want geen mens kan hem weerstaan; maar even sterk is de liefde, want zij kan over de dood zelf zegevieren: zijn angel gevaarloos maken, zijn aanval ontkrachten, zijn overwinning tenietdoen. Dan gaat het woord in vervulling dat de dood wordt getart, dan weerklinkt de uitdaging van de Apostel: ‘Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel?’ (1 Kor. 15, 55).

Even sterk als de dood is de liefde, want de liefde van Christus heeft de dood zelf gedood. Daarom is er gezegd: ‘O dood, ik zal uw dood zijn; uw angel zal ik zijn, o dodenrijk’ (Hos. 13, 14 – Vulg.). Zo is ook de liefde waarmee wij Christus liefhebben: ook zij is sterk als de dood. Want zelf is ze een soort dood, doordat ze aan het oude leven een einde stelt, de zonden wegneemt en de dode werken begraaft.

Onze liefde voor Christus, ook al is zij niet evenwaardig aan zijn liefde voor ons, is toch als een afspiegeling, een beeld en gelijkenis van de zijne. Hij immers heeft ons het eerst liefgehad (vgl. 1 Joh. 4, 10), en door het voorbeeld van liefde dat Hij ons gaf, is Hij voor ons het zegel geworden dat in ons een stempel drukt, gelijkvormig aan zijn beeld. Daardoor verdwijnt bij ons het beeld van de aardse mens en verschijnt het beeld van de hemelse mens. Zoals Hij ons heeft liefgehad, krijgen ook wij Hem lief. Want hierdoor heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in zijn voetstappen zouden treden (vgl. 1 Petr. 2, 21).

Daarom zegt Hij: ‘Draag mij als een zegel op uw hart’ (Hoogl. 8, 6), waarmee Hij als het ware zegt: ‘Bemin Mij zoals Ik jou bemin. Bewaar Mij in jouw geest, jouw gedachten, jouw verlangen, jouw verzuchting, jouw weeklacht en jouw tranen. Gedenk, o mens, hoe groot Ik je gemaakt heb, hoezeer Ik je boven de andere schepselen uitverkoren heb, met welke waardigheid Ik je geadeld heb, met welke roem en eer gekroond, hoe Ik al de rest aan jou heb onderworpen. Gedenk niet alleen de grote weldaden die Ik je schonk, maar ook de hardheid en de vernedering die Ik voor jou heb verdragen. Vind je dan niet dat je Mij onrecht doet, als je Mij niet liefhebt? Want wie bemint jou zoals Ik? Wie heeft jou geschapen, tenzij Ik? Wie heeft jou verlost, tenzij Ik?’

Heer, neem weg van mij dat stenen hart, dat tot ijs bevroren hart, dat bandeloze hart. Geef mij een nieuw hart, een hart van vlees, een zuiver hart. Want Gij zuivert elk hart en bemint elk zuiver hart. Neem bezit van mijn hart en woon erin, omspan het en vul het met U die hoger zijt dan mijn hoogste ik, en inniger dan mijn diepste innerlijk. Gij die de gietvorm zijt van alle schoonheid en het zegel van alle heiligheid, stempel mijn hart naar uw beeld, stempel mijn hart met uw barmhartigheid, ‘God van mijn hart, God die mijn erfdeel zijt voor altijd’ (Ps. 73 (72), 26 – Vulg.).