Uit de geschriften van John Henry kardinaal Newman († 1890)
Gods oog ziet liefdevol op ons neer
Wat Gods barmhartige liefde zo bijzonder aantrekkelijk maakt, is dat zij zich om zo te zeggen afhankelijk maakt van tijd en plaats en persoonlijke omstandigheden van een ieder. Met andere woorden: haar liefdevolle aanpassing. Voor ieder afzonderlijk heeft zij haar eigen schakering en eigen gevoelens, en aan sommige mensen schenkt zij zich zozeer weg dat men gaat denken dat Hij zijn eigen geluk laat afhangen van hun welzijn.
Hoe liefdevol is Gods bijzondere voorzienigheid voor de mensen die Hem zoeken! Hoe liefdevol is Hij voor de mensen die zich eenzaam en verlaten voelen, ofschoon zij misschien omringd zijn door de vergankelijke schijn van geluk en macht!
Bij al deze menselijke ervaringen vinden wij troost voor onze nood in het evangelie. Dit spreekt ons niet slechts van een verre, ongenaakbare Schepper op wie wij mogen bouwen, maar van iemand die ons meelevend behoedt en de rechter en helper is van een ieder in zijn persoonlijke nood.
God omsluit jullie en draagt jullie in zijn armen. Hij neemt jullie op en zet jullie neer. Hij aanschouwt jullie gelaat, kijkt of het glimlacht of weent, of het er gezond of ziek uitziet. Met tederheid bekijkt Hij jullie handen en voeten. Hij hoort jullie stem, het kloppen van jullie hart, de adem van jullie borst.
Jullie zijn niet slechts Gods schepsel – ofschoon Hij zelfs voor de mussen zorg draagt -, jullie zijn verloste en geheiligde mensen, zijn aangenomen kinderen. Jullie zijn begunstigd met een aandeel in die heerlijkheid en die zaligheid, die Hij van alle eeuwigheid aan zijn eniggeboren Zoon schenkt.
Jullie zijn uitverkoren om van Hem te zijn, boven zoveel andere mensen die over de wereld verspreid leven. Jullie behoren tot diegenen die Christus in zijn afscheidsgebed heeft ingesloten en met zijn kostbaar bloed heeft bezegeld.
Wat een gedachte – bijna te groot voor ons geloof! Wat is de mens, wat zijn wij, wat ben ik dat de Zoon Gods aan mij denkt! Wat ben ik dat de goddelijke Geest in mijn ziel te gast wil zijn, om mijn gedachten naar de hemel te richten en met onuitsprekelijke verzuchtingen in mij te pleiten (vgl. Rom. 6, 28)? Zulke beschouwingen kunnen het hart van een christen met troost vervullen. Ze doen het gelaat schitteren. Ze maken ons blij, ingetogen, sereen. Ze zijn een kracht in tijden van bekoring, van vervolging, van ontbering. Wanneer zulke gedachten in ons leven, dan moet de wereld, met al wat zij najaagt en leert, wel armzalig en klein zijn!
Hoe triest is het dan, het dieper geluk in geschapen waarden te zoeken; naar plaats, weelde, prestige te streven; in dromerijen deze of gene levenswijze te fantaseren; de handelwijze en gedragingen van de groten na te doen; de tijd met dwaasheden te verspelen; misnoegd te zijn of twistziek, jaloers of afgunstig, kritisch of wrokkig; belust op nutteloos geklets of sensatienieuws; ons op te winden om gebeurtenissen die ons niet aangaan; warm te lopen voor dit of dat partijbelang, winst na te jagen of dode wetenschap op te hopen! Wat zal onze troost zijn op het einde van onze dagen, wanneer vlees en hart zullen falen? Op dat ontzagwekkend uur, wanneer de dood in het zicht is, zal God ons dan als een van de zijnen erkennen? Hij wiens oog zo liefdevol op ons neerzag en wiens hand zo goedgunstig op ons rustte?