Uit de geschriften van de heilige priester Petrus Canisius († 1597)
Eerbied voor het woord van God
Alle mensen behoren God – uit het diepst van hun hart en welgemeend – te bedanken, omdat Hij aan hen zijn woord heeft geopenbaard, een geschenk waarvan de waarde nauwelijks onder woorden te brengen is.
Maar God heeft ons door zijn woord ook grote steun gegeven. Als wij die steun niet zouden bezitten, zouden we een ellendig bestaan leiden. We zouden leven in een woestijn; we zouden zijn als schapen die rondtrekken zonder herder; we zouden overgeleverd zijn aan bloeddorstige wilde dieren. We zouden te vergelijken zijn met kinderen die geen brood hebben en honger lijden. We zouden verdwalen of met waandenkbeelden rondlopen. We zouden geen begrip hebben van wat werkelijk goed voor ons is, wat geluk brengt of wat een mens eigenlijk nodig heeft.
Dit nu is het woord van God! Het wordt ons aangereikt in de heilige Schrift. Het is heilbrengende wijsheid, een lamp die licht verspreidt, verlichting in de duisternis.
Het is een groot geheim dat we geleidelijk gaan begrijpen; het is brood uit de hemel, zuiver goud. Het is de wetenschap van de heiligen, een zuivere leer ‘in geest en waarheid’ (Joh. 4, 23), een heldere spiegel, een levengevende bron, een verzegeld boek. Wie dit op de juiste manier gebruikt, mag zich noemen ‘door God onderricht’ (Joh. 6, 45).
Door het woord van God worden wij geestelijk levende mensen, wijs en rechtvaardig, vriend van God, zijn erfgenaam.
Het woord van God is zijn mooiste gave, en is ons gegeven door zijn eeuwige en onovertreffelijke goedheid, ter onderrichting van ons allen, tot heil en troost van ons allen.
De profeten en de apostelen, door God aangesteld om te getuigen van zijn waarheid, hebben het woord van God uitgedragen en meegedeeld aan de hele wereld. Naar alle streken is het woord van God trouw doorgegeven door de herders en leraren van de kerk.
Allen worden wij gevoed door dit brood uit de hemel, wij allen worden verfrist door deze levensbron.