Uit de geschriften van de priester Lucien Cerfaux († 1968)
Geestelijke verrijzenis
De christenen verrijzen om te delen in de triomf van Christus, de doden staan op uit het graf om beloning of straf te ontvangen voor de rechterstoel van God. In Korinte verblijft Paulus te midden van Grieken, die nadenken over zijn leer en haar vergelijken met hun eigen opvattingen, en die vragen stellen omtrent het hoe en waarom van de verrijzenis. Zonder moeite nemen ze een verheerlijking aan, een omhoogvoeren van de zielen ten hemel: het lichaam is daar niet bij betrokken.
Paulus deelt deze pessimistische kijk op de materie niet. Het lichaam is de zichtbare verschijning waarin de menselijke persoonlijkheid zich vertoont; het is het instrument van zijn handelen en als zodanig noodzakelijk voor het voortbestaan. Het staat niet tegenover de geest die niet omschreven kan worden met onlichamelijkheid.
Het lichaam van Christus, verheerlijkt door zijn verrijzenis, bezit de volheid van de heilige Geest, de bron waaruit zich over de wereld elke vorm van vergeestelijking verspreidt. De Geest zal het lichaam van de verrezen christenen omhullen en dit zal ‘geestelijk’ worden. Op basis van de joodse leer, die de verrijzenis vergelijkt met het ontkiemen van een nieuw lichaam, geschapen voor elke soort die in de aarde gezaaid is, leidt Paulus in enkele retorische zinnen het geloof naar deze ‘geestelijke’ opvatting van het verrezen lichaam waarvoor de Grieken meer ontvankelijk waren:
Het wordt gezaaid in bederf, het verrijst onbederfelijk.
Het wordt gezaaid in oneer, het verrijst in heerlijkheid.
Het wordt gezaaid in zwakheid, het verrijst in kracht.
Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst (vgl. 1 Kor. 15, 42-44).
De levende materie vormt geen belemmering voor de Geest; ze behoort aan God, zoals de Geest; geen gebrek verhindert haar te delen in de eigenschappen die betrekking hebben op God: onbederfelijkheid, heerlijkheid, kracht, vergeestelijking. We verwachten de wederkomst van de Verlosser, Jezus Christus de Heer. ‘Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen om het gelijkvormig te maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen’ (Fil. 3, 21). De geestelijke macht van de verrezen Jezus zal levenden en doden opnemen in zijn glorie. ‘Dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid’ (1 Kor. 15, 53). Een en dezelfde stroom van vergeestelijking zal bij Christus’ wederkomst levenden en doden meevoeren.
Onder invloed van Christus’ verrijzenis voltrekt zich in de christen een proces van geestelijke omvorming. De heilige Paulus ondervindt deze diepe verandering in zijn eigen wezen. Terwijl het lijden en de beproevingen zijn lichaam slopen en de dood aankondigen, terwijl de vernietiging de ‘uitwendige mens’ aangrijpt, ontplooit zich de ‘inwendige mens’, zijn diepste ik, groeit het inzicht omtrent zijn wezen; van dag tot dag wordt dit alles sterker. Een weerglans van de toekomstige heerlijkheid verlicht hem, iets eeuwigs, onzichtbaars dat hem van nu af geschonken wordt (vgl. 2 Kor. 4, 7-5, 10).