Overweging ter voorbereiding van 27-02-2025, donderdag in de 7e week door het jaar

Uit het commentaar van de priester Origenes († 253/254) op de brief aan de Romeinen

In de kerk, het lichaam van Christus, heeft ieder van ons zijn eigen taak

Ieder moet weten en beseffen welke maat van Gods genade hij omwille van zijn geloof verdiend heeft te ontvangen. Iemand kan van God de bekwaamheid ontvangen om werken van naastenliefde te verrichten, om mensen te bezoeken, om barmhartig te zijn jegens de armen, om zieken te verzorgen, weduwen en wezen te verdedigen of om de gastvrijheid te beoefenen. Al deze bijzondere gaven heeft God aan ieder uitgedeeld naar de maat van zijn geloof.

Als iemand in genade de bekwaamheid ontvangen heeft om een van deze dingen te doen, de eigen maat van de genade die hem is toebedeeld, echter niet beseft en bekwaam wil zijn in Gods wijsheid, het verwoorden van de leer, in een diepere geleerdheid waartoe hij de genade niet ontvangen heeft, en niet zelf wil aanleren maar onderwijzen wat hij niet kent, zo iemand wil met zijn beperkte bekwaamheid meer doen dan hem past. Hij is in zijn bekwaamheid onbescheiden en beseft niet dat ieder de maat van geloof bezit die God hem heeft toebedeeld.

Om dit nog duidelijker te maken, geeft de Apostel een voorbeeld en zegt: ‘Zoals we in één lichaam vele ledematen bezitten en die ledematen niet dezelfde taak hebben, zo zijn we met velen één lichaam in Christus; en dan zijn we, ieder voor ons, elkaars ledematen’ (Rom. 12, 4-5). Daarmee bouwt Paulus de kerk in goede orde op. Gelijk ieder lidmaat in het lichaam zijn eigen taak heeft en ieder lidmaat er zijn eigen werk doet en het ondenkbaar is dat alle ledematen niet in eendracht elkaar zouden aanvullen, zo, zegt Paulus, heeft ook ieder in de kerk die Christus’ lichaam is, een verschillende taak.

De een richt heel zijn aandacht op Gods wijsheid en op de leer van het woord en houdt zich dag en nacht bezig met het overdenken van Gods wet; hij is het oog van dat lichaam. Een ander gaat op in de zorg voor zijn broeders en voor de behoeftigen en is de hand van dat lichaam. Een derde is een aandachtig luisteraar naar Gods woord en is het oor van dat lichaam. En weer een ander is onvermoeibaar in het bezoeken van zieken en bedroefden, het opsporen van beproefden en het bijstaan van noodlijdenden. Ze zijn de voeten van het lichaam dat de kerk is. Zo ziet men ieder mens meer in het bijzonder en met meer toewijding bezig met een of ander werk.