Overweging ter voorbereiding van 30-01-2025, donderdag in de 3e week door het jaar

Uit de geschriften van de priester Gerard Philips († 1982)

Het woord Gods bewerkt de aanvaarding van het geloof

In het gebed en in het geloof staat God tegenover de mens, en daar heeft de grote ontmoeting plaats waarbij niemand tegenwoordig is, tenzij alleen Christus door wie de Vader naar ons toekomt. Elke mens moet persoonlijk het heil van God ontvangen, en als hij het afwijst, hoe zullen wij, mensen, hem dan redden? Wij hebben gesproken over geloofsleer en over geloofsbeleving; die twee dingen kunnen wij bijbrengen, als de toehoorder wil geloven. Die twee dingen zijn mededeelbaar, het eerste door het onderricht, het tweede door de opvoeding. Aan beide moeten we onze beste krachten besteden. Doch we mogen de voorwaarde niet uit het oog verliezen: áls de toehoorder wil geloven. De geloofsdaad zelf is niet mededeelbaar. Ik kan niet geloven in plaats van een ander. Ik kan voor hem bidden, maar ik kan zijn zonden niet belijden, noch zijn geloofsonderwerping door de mijne vervangen. De geloofsdaad is persoonlijk, ook in deze zin dat ik hem in iemand anders met mijn kracht niet tot stand kan brengen.

Moeten we de anderen dan aan hun lot overlaten? In de verste verte niet! Maar we zullen hen niet gered hebben, zolang zijzelf niet beslist hebben zich te laten redden. Dat is: zich niet aan ons maar aan God gewonnen geven. Maar we moeten hun het geloof voorhouden, en terzelfder tijd voor hen de opperste barmhartigheid smeken dat de ogen van de ziel opengaan (vgl. Ef. 1, 18). Wij moeten het getuigenis van het geloof geven, de verkondiging, de aansporing, de vermaning, het voorbeeld, de opwekking, de aanmoediging. Maar de ziel zelf moet zeggen: ik aanvaard, ik verzaak en ik geloof.

Het zou vreselijk zijn, indien een mens door onze schuld verstoken bleef van de boodschap van het geloof. Wij mogen rust noch duur kennen vooraleer het evangelie aan allen is aangeboden. Maar wanneer het woord Gods door onze bedrijvigheid tot de ongelovigen is uitgedragen, dan moet het woord Gods, en niet wij, de aanvaarding en het heil in hen bewerken. Met andere woorden: de genade is het die het heil tot stand brengt langs de weg van onze inspanning. Ook in die zin zijn wij getuigen van de wonderwerken van de genade: wij zien ze voor onze ogen gebeuren.

Dat houdt uiterst belangrijke gevolgen in voor de wijze waarop wij het geloof moeten verkondigen en de mensen ‘in de verleiding brengen’ om op hun beurt te gaan geloven. Dat alles moet van onzentwege ook in geloof geschieden, dat wil zeggen: met oneindig ontzag voor God en oneindig vertrouwen in zijn genadewerken.