Overweging ter voorbereiding van 01-09-2023, vrijdag in de 21e week door het jaar

Uit het commentaar van de heilige Paschasius Radbertus, abt van Corbie († 859), op het evangelie van Matteüs

Laat niemand zich afzijdig houden van de eenheid

Door de hele gemeenschap wordt gebeden: ‘Onze Vader die in de hemel zijt’ (Mt. 6, 9). Zodra ge zijt opgenomen in het lichaam van Christus, nemen alle anderen u dus op in hun gebed, en bidden allen samen dat Gods wil in u geschiede. Daarom moet men deze eenheid niet onderschatten, niet geringschattend denken over deze zo hechte gemeenschap in Christus. Allen bidden immers eenstemmig; allen dragen God in hun hart door eenzelfde geloof, beminnen met eenzelfde liefde en koesteren zich nu reeds in eenzelfde hoop. Ja, allen vragen en zoeken samen slechts één ding, terwijl zij blijven kloppen op die ene deur van Gods liefde (vgl. Mt. 7, 7). Niets is dus krachtiger, niets vruchtbaarder, niets beter dan dit: ‘dat allen één zijn’ (Joh. 17, 21) en dat allen zorg dragen voor één, zoals ook een ieder zorg draagt voor allen: dan worden allen te zamen één in Christus (vgl. Gal. 3, 28). Het is juist vanwege dit geloof, deze hoop en vooral vanwege deze liefde, dat Hij ons geleerd heeft dat geen enkele gelovige zich afzijdig mag houden van deze eenheid.

Laat niemand er dan aan twijfelen dat hij deze eenheid van de Vader zal verkrijgen; zijn eniggeboren Zoon heeft het zo onderwezen, zoals Hij ook geleerd heeft, dat niemand zo traag mag zijn dat hij zou nalaten zich als kind van God te gedragen. Ik bedoel dit: het gaat hier om dat vermogen dat Hij aan de mensen gegeven heeft om kinderen van God te worden (vgl. Joh. 1, 12). Daarom heeft Hij ons ook de vrijmoedigheid gegeven om het gebed des Heren te bidden, dat Hij ons leerde. Zijn genade zal immers aanvullen wat ons nog ontbreekt. Hoezeer men dus ook van anderen mag zijn afgezonderd en verborgen leeft in de diepste eenzaamheid, toch moet ieder van ons, wanneer hij God zijn Vader noemt, bedenken dat deze grote gave niet aan ieder afzonderlijk gegeven is, maar aan alle mensen gemeenschappelijk.

Laat derhalve niemand het wagen te zeggen: mijn Vader die in de hemel zijt, maar ‘onze Vader’ (vgl. Mt. 6, 9); alleen Christus komt het toe ‘mijn Vader’ te zeggen, omdat God zijn Vader is op een wijze die Hem eigen is. Elders zegt Hij immers uitdrukkelijk: ‘Ik stijg op naar mijn Vader en – zo voegt Hij eraan toe – naar uw Vader’ (Joh. 20, 17). Wanneer Hij dit zegt, laat Hij voldoende duidelijk zien dat Hem van nature een geheel eigen heerlijkheid toekomt omdat Hij Gods Zoon is, terwijl de genade aangenomen kinderen van God te zijn, die wij gemeenschappelijk hebben, onverdiend aan allen te zamen is verleend. Uit het ene blijkt dat de Zoon één in wezen met de Vader is, uit het andere de goedheid van onze Heer; beide gevallen mogen wij aanduiden met de algemene naam van vaderschap.

Zo wordt ons geleerd dat wij allen die door het water van het doopsel gereinigd werden, broeders en zusters moeten zijn in de Heer, met elkaar verenigd door eenzelfde band.