Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 25-06-2021

Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 25-06-2021

Uit het commentaar van de heilige paus Gregorius de Grote (†604) op het eerste boek Samuël

God schrikt het hart van zondaars af en beurt boetvaardigen op

De sterkte van hen die met kracht omgord worden, wordt niet aan henzelf toegeschreven, maar aan de Heer door wie zij worden omgord. Daarom wordt aan het vers: ‘Zij die wankelden, zijn met kracht omgord’, terecht toegevoegd: ‘De Heer is het die doodt en doet leven’ (1 Sam. 2, 6). Bij deze woorden moet zeker ook gelet worden op de volgorde. Eerst wordt er gesproken over ‘doden’, vervolgens over ‘doen leven’. Als wij niet nalaten de wereld lief te hebben, zijn wij immers niet in staat voor God te leven uit liefde. In deze zin getuigt Johannes wanneer hij zegt: ‘Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem’ (1 Joh. 2, 15). Vandaar ook dat Paulus zei – Paulus die zich herinnerde gedood en weer tot leven gewekt te zijn, geveld en weer opgericht (vgl. Hand. 9, 1-19) -: ‘De wereld is voor mij gekruisigd en ik voor de wereld’ (Gal. 6, 14). Hij leefde wel, maar het was niet het leven van deze wereld. Hij zei dan ook: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij’ (Gal. 2, 20). Niet hij dus die omgord wordt, maar de Heer is het die doodt en doet leven. Gedood en ten leven gewekt worden betekent: niets van de aardse goederen begeren en verlangen naar wat eeuwig blijft. En aan wie voor deze gaven dank verschuldigd is, maakt Hanna duidelijk met de woorden: ‘De Heer doodt en doet leven.’ Vandaar ook dat de heraut van de heidenen, die reeds vaak genoemd werd, zegt: ‘Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God die de wasdom geeft’ (1 Kor. 3, 7).

Hanna verklaart echter ook op welke wijze de almachtige God dit in de uitverkorenen bewerkt, wanneer zij zegt: ‘Hij voert naar de onderwereld en Hij haalt er weer uit’ (1 Sam. 2, 6). Om te doden voert Hij naar de onderwereld, om te doen leven haalt Hij weer uit de onderwereld. Voor de almachtige God betekent ‘naar de onderwereld voeren’ immers: het hart van de zondaars afschrikken door de gedachte aan de eeuwige kwellingen. Zo ook bedoelt Hij met het terugvoeren uit de onderwereld dat het geschokte gemoed van de boetvaardigen die hun daden betreuren, opgebeurd wordt door de hoop op het onvergankelijke leven. Dan immers houden wij op met zondigen, wanneer wij, nadat ons hart door de hemelse genade ontvankelijk gemaakt is, vrezen voor de toekomstige folteringen. En wij worden weer uit de onderwereld gehaald, wanneer wij, inwendig getroost, vanuit het geweeklaag van de boete herademen in de hoop op vergeving.