Met een vaderhart – Bij de 150e verjaardag van het uitroepen van St. Jozef tot Patroon van de universele Kerk – Afkondiging Sint Jozefjaar

Met een vaderhart – Bij de 150e verjaardag van het uitroepen van St. Jozef tot Patroon van de universele Kerk – Afkondiging Sint Jozefjaar

Met een vaderhart: dat is hoe Jozef hield van Jezus, die alle vier Evangeliën beschrijven als “de zoon van Jozef” (Lc. 4, 22; Joh. 6, 42).

Mattheüs en Lucas, de twee Evangelisten die het meest over Jozef spreken, vertellen ons heel weinig, maar genoeg zodat wij op waarde kunnen schatten wat voor vader hij was, en de missie die hem werd toevertrouwd door de voorzienigheid van God.

We weten dat Jozef een nederige timmerman was, verloofd met Maria. Hij was een “rechtvaardig man” (Mt. 1, 19), altijd bereid om Gods wil te volbrengen zoals die aan hem was geopenbaard in de Wet en door middel van vier dromen.

Na een lange en vermoeiende reis van Nazareth naar Bethlehem, aanschouwde hij de geboorte van de Messias in een stal, omdat er elders “geen plaats voor hen was”. Hij was getuige van de aanbidding van de herders en van de wijzen, vertegenwoordigers van respectievelijk het volk Israël en de heidenvolken.

Jozef had de moed om de wettige vader te worden van Jezus, aan wie hij de naam gaf die hem door de engel was geopenbaard: “U zult Hem de naam Jezus geven, want hij zal zijn volk redden van hun zonden” (Mt. 1, 21). Voor oude volkeren betekende het geven van een naam aan een persoon of ding, zoals Adam dat ook deed in het verhaal in het boek Genesis, het vaststellen van een relatie.

Veertig dagen na Jezus’ geboorte presenteerden Jozef en Maria hun kind in de Tempel aan de Heer, en luisterden ze met verbazing naar Simeons profetie over Jezus en zijn Moeder. Om Jezus te beschermen tegen Herodes, woonde Jozef als een buitenlander in Egypte. Nadat hij was teruggekeerd naar zijn eigen land, leefde hij een verborgen leven in het kleine en onbeduidende dorpje Nazareth in Galilea, ver van Bethlehem, de stad van zijn voorvaderen, en van Jeruzalem en de Tempel. Over Nazareth werd gezegd dat er “geen profeet uit zou voortkomen” en zelfs: “Kan er iets goeds komen uit Nazareth?”.

Toen Jozef en Maria tijdens een bedevaart naar Jeruzalem de twaalfjarige Jezus uit het oog verloren, zochten ze hem vol zorgen en vonden ze Hem in de Tempel, in discussie met de leraren van de Wet.

Na Maria, de Moeder van God, wordt geen heilige vaker genoemd door het pauselijk leergezag dan Jozef, haar echtgenoot. Mijn voorgangers hebben nagedacht over de boodschap die naar voren komt uit de beperkte informatie die de Evangeliën ons overleveren, om zijn centrale rol in de heilsgeschiedenis meer voluit te waarderen. De zalige Pius IX verklaarde hem tot “Patroon van de Katholieke Kerk”, de eerbiedwaardige Pius XII stelde hem voor als “Patroon van Arbeiders” en de heilige Johannes Paulus II als “Beschermer van de Verlosser”. De heilige Jozef wordt overal aangeroepen als de “patroon van een zalige dood”.

Nu, honderdvijftig jaar nadat hij werd uitgeroepen tot Patroon van de Katholieke Kerk door de zalige Pius IX (8 december 1870), zou ik graag wat persoonlijke reflecties delen over deze bijzondere figuur, die onze eigen menselijke ervaring zo nabij is. Want zoals Jezus zegt: “uit de overvloed van het hart spreekt de mond” (Mt. 12, 34). Mijn verlangen om dit te doen groeide tijdens deze maanden van pandemie, toen we te midden van de crisis hebben ervaren hoezeer “onze levens worden samengeweven en onderhouden door gewone mensen, mensen die vaak over het hoofd worden gezien. Mensen die niet verschijnen in tijdschriften- en krantenkoppen, of op de laatste televisieshow, maar die wél, juist in deze dagen, vormgeven aan de beslissende gebeurtenissen van onze geschiedenis. Doktoren, verplegenden, winkeliers en supermarktpersoneel, schoonmakers, transportwerkers, mannen en vrouwen die werken om essentiële diensten te leveren en de openbare veiligheid te bewaken, vrijwilligers, priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen, en zo vele anderen. Zij hebben begrepen dat niemand alléén wordt gered… Hoeveel mensen oefenen zich elke dag in geduld en bieden hoop, door te zorgen dat ze geen paniek zaaien, maar gedeelde verantwoordelijkheid. Hoeveel vaders, moeders, grootouders en leraren laten aan onze kinderen zien, op allerlei kleine dagelijkse manieren, hoe je een crisis kunt aanvaarden en ermee omgaan: door hun routines te veranderen, vooruit te kijken en de praktijk van het gebed aan te moedigen. Hoe velen bidden, brengen offers en zijn een voorspraak voor het welzijn van iedereen”.

Ieder van ons kan in Jozef – de man die onopgemerkt voortgaat, een dagelijkse, discrete en verborgen aanwezigheid – een voorspreker ontdekken, een steun en gids in moeilijke tijden. De heilige Jozef herinnert ons eraan dat zij die verborgen of in de schaduw lijken te staan, een onvergelijkbare rol kunnen spelen in de heilsgeschiedenis. Een woord van erkenning en dankbaarheid is op zijn plaats voor hen allen.

1 – Een geliefde vader

De grootheid van Sint-Jozef is dat hij de echtgenoot van Maria was en de vader van Jezus. Op deze manier plaatste hij zichzelf, in de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos, “in dienst van het hele heilsplan”.

De heilige Paulus VI wees erop dat Jozef zijn vaderschap concreet uitdrukking gaf “door zijn leven te maken tot een offerdienst aan het geheim van de menswording en het verlossende doel daarvan. Hij gebruikte zijn wettig gezag over het Heilig Huisgezin om zich volledig aan hen te wijden in zijn leven en werk. Zijn menselijke roeping tot gezinsliefde maakte hij tot een bovenmenselijk opdragen van zichzelf, zijn hart en al zijn vermogens: een liefde die ten dienste werd gesteld van de Messias die opgroeide tot volwassenheid in zijn huis”.

Dankzij zijn rol in de heilsgeschiedenis, is Sint-Jozef altijd vereerd geweest als een vader door het christelijk volk. Dit wordt aangetoond door de talloze kerken die wereldwijd aan hem zijn opgedragen, de talrijke religieuze Instituten, Broedergemeenschappen en kerkelijke groepen die zijn geïnspireerd door zijn spiritualiteit en die zijn naam dragen, en de vele traditionele uitdrukkingen van vroomheid tot zijn eer. Ontelbare heilige mannen en vrouwen hadden een vurige devotie tot hem. Onder hen is Teresa van Avila, die hem koos als haar hemelse voorspraak, zich regelmatig tot hem wendde en van hem ontving welke genaden ze ook maar vroeg. Bemoedigd door haar eigen ervaring, overtuigde Teresa ook anderen om de devotie tot Jozef te koesteren.

Elk gebedsboek bevat gebeden tot Sint-Jozef. Speciale gebeden worden tot hem gericht op iedere woensdag en vooral tijdens de maand maart, die traditioneel aan hem is gewijd. Een wijdverbreid vertrouwen in Sint-Jozef blijkt in de uitdrukking “Ga naar Jozef”, die doet denken aan de hongersnood in Egypte, toen de Egyptenaren de Farao smeekten om brood. Hij antwoordde op zijn beurt: “Ga naar Jozef; wat hij u zegt, doe dat” (Gen. 41, 55). Farao verwees naar Jozef de zoon van Jakob, die als slaaf werd verkocht vanwege de jaloezie van zijn broers en die – volgens het Bijbelse verhaal – vervolgens onderkoning van Egypte werd.

Als een afstammeling van David, uit wiens nageslacht Jezus zou ontspruiten volgens de belofte die aan David werd gedaan door de profeet Nathan, en als de echtgenoot van Maria van Nazareth, staat de heilige Jozef op het kruispunt tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

2 – Een tedere en liefhebbende vader

Jozef zag Jezus dagelijks groeien “in wijsheid en in jaren en in gunst bij God en de mensen” (Lc. 2, 52). Zoals de Heer gedaan had met Israël, deed Jozef met Jezus, hij leerde Hem lopen door Hem bij de hand te nemen; hij was voor Hem als een vader die zijn kind optilt naar zijn wangen, zich over Hem heenbuigt en Hem te eten geeft. In Jozef zag Jezus de tedere liefde van God,  “Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de Heer zich over die hem vrezen” (Ps. 103, 13).

In de synagoge, tijdens het bidden van de Psalmen, moet Jozef keer op keer hebben gehoord dat de God van Israël een God is van tedere liefde, die goed is voor iedereen, wiens “ontferming zich uitstrekt over alles wat hij heeft gemaakt” (Ps. 145, 9).

De heilsgeschiedenis ontrolt zich “in verwachting boven verwachting” (Rom. 4, 18), door onze zwakheden heen. Maar al te vaak denken we dat God alleen door de betere delen van onszelf werkt; toch worden de meeste van zijn plannen verwerkelijkt in en dankzij onze broosheid. Zo kon de heilige Paulus zeggen,  “Opdat ik niet verwaand zou worden, werd mij een doorn gegeven in het vlees, een boodschapper van Satan om mij te kwellen, opdat ik niet verwaand zou worden. Driemaal heb ik me hierom beroepen op de Heer, dat het me zou verlaten, maar Hij zei tegen mij, ‘Mijn genade is u genoeg, want kracht wordt in zwakheid volmaakt’” (2 Kor. 12, 7-9).

Omdat dit onderdeel is van het hele heilsgebeuren, moeten we leren om onze zwakheden te beschouwen met tedere ontferming. De boze laat ons onze broosheid zien en veroordelen, terwijl de Geest die aan het licht brengt met tedere liefde. Tederheid is de beste manier om de broosheid binnen in ons aan te raken. Met vingers wijzen en anderen veroordelen zijn vaak tekenen van een onvermogen om onze eigen zwakheden te aanvaarden, onze eigen broosheid. Alleen tedere liefde zal ons redden van de strikken van de beschuldiger.

Dat is waarom het zo belangrijk is om Gods barmhartigheid te leren kennen, in het bijzonder in het Sacrament van Verzoening, waar we zijn waarheid en tederheid ervaren. Paradoxaal genoeg kan de boze ook de waarheid tot ons spreken, maar hij doet dat alleen om ons te veroordelen. Wij weten dat Gods waarheid niet veroordeelt, maar ons verwelkomt, omarmt, ondersteunt en vergeeft. Die waarheid verhoudt zich altijd tot ons zoals de barmhartige vader in de parabel van Jezus.

Die komt naar buiten om ons te ontmoeten, herstelt onze waardigheid, zet ons terug op onze voeten en verheugt zich over ons, want, zoals de vader zegt, “Deze zoon van mij was dood en leeft weer; hij was verloren en is gevonden” (Lc. 15, 24).

Zelfs door Jozefs angsten heen was Gods wil, zijn geschiedenis en zijn plan, aan het werk. Jozef laat ons dus zien dat geloof in God ook het geloof inhoudt dat Hij zelfs door onze angsten, onze broosheden en onze zwakheden heen kan werken. Hij leert ons ook dat we te midden van de stormen van het leven nooit bang moeten zijn om de Heer onze koers te laten zetten. Er zijn momenten dat we volledig de regie willen hebben, maar God ziet altijd het grotere plaatje.

3 – Een gehoorzame vader

Zoals hij dat ook met Maria gedaan had, openbaarde God zijn reddingsplan aan Jozef. Hij deed dat door middel van dromen, die in de Bijbel en door alle oude volkeren werden beschouwd als een manier waarop Hij zijn wil bekendmaakte. Jozef was diep verontrust door Maria’s mysterieuze zwangerschap. Hij wilde haar niet “publiek te schande maken”, dus besloot hij om “haar in stilte weg te sturen” (Mt. 1, 19).

In de eerste droom helpt een engel hem om zijn ernstige dilemma op te lossen, “Wees niet bang om Maria tot uw vrouw te nemen, want het kind dat in haar groeit is van de Heilige Geest. Zij zal een zoon baren, en u moet Hem Jezus noemen, want hij zal zijn volk redden van hun zonden” (Mt. 1, 20-21). Jozefs antwoord kwam onmiddellijk, “Toen Jozef wakker werd uit de slaap, deed hij wat de engel van de Heer hem had bevolen” (Mt. 1, 24). Gehoorzaamheid maakte het mogelijk voor hem om zijn moeilijkheden te boven te komen en Maria te sparen.

In de tweede droom vertelt de engel tegen Jozef, “Sta op, neem het kind en zijn moeder, en vlucht naar Egypte, en blijf daar tot ik het u zeg; want Herodes staat op het punt om naar het kind op zoek te gaan, om hem te vernietigen” (Mt. 2, 13). Jozef aarzelde niet om te gehoorzamen, ongeacht de moeite die erbij kwam kijken, “Hij stond op, nam het kind en zijn moeder ’s nachts mee, en ging naar Egypte, en bleef daar tot de dood van Herodes” (Mt. 2, 14-15).

In Egypte wachtte Jozef met geduldig vertrouwen op het bericht van de engel dat hij veilig naar huis kon terugkeren. In een derde droom vertelde de engel hem dat degenen die het kind wilden doden, waren gestorven, en hij beval hem om op te staan, het kind en zijn moeder te nemen, en terug te keren naar het land Israël. Opnieuw gaf Jozef hier prompt gehoor aan. “Hij stond op, nam het kind en zijn moeder mee, en ging naar het land Israël” (Mt. 2, 21).

Op de terugreis, “toen Jozef hoorde dat Archelaüs over Judea heerste in de plaats van zijn vader Herodes, werd hij bang om daarheen te gaan. Nadat hij gewaarschuwd was in een droom” – nu voor de vierde keer – “vertrok hij naar het district van Galilea. Daar maakte hij zijn thuis in een plaats genaamd Nazareth” (Mt. 2, 22-23).

De evangelist Lucas vertelt op zijn beurt dat Jozef de lange en moeilijke reis ondernam van Nazareth naar Bethlehem, om te worden ingeschreven in de plaats van oorsprong van zijn familie, in de volkstelling van de keizer Caesar Augustus. Daar werd Jezus geboren en werd zijn geboorte, net als van ieder ander kind, opgetekend in de administratie van het keizerrijk. Sint-Lucas besteedt er vooral zorg aan om ons te vertellen dat Jezus’ ouders alle voorschriften van de Wet navolgden, de riten van de besnijdenis van Jezus, de zuivering van Maria na de bevalling, het opdragen van de eerstgeborene aan God.

In elke situatie sprak Jozef zijn eigen “fiat” uit, zoals die van Maria bij de Aankondiging en van Jezus in de Hof van Getsemane.

In zijn rol als hoofd van het gezin leerde Jozef Jezus om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders, in lijn met Gods gebod.

Tijdens de verborgen jaren in Nazareth leerde Jezus in de school van Jozef om de wil van de Vader te doen. Die wil zou zijn dagelijks voedsel worden. Zelfs op het moeilijkste moment van zijn leven, in Getsemane, koos Jezus ervoor om de wil van de Vader te doen en niet die van zichzelf, hij werd “gehoorzaam tot de dood, ja, de dood aan een kruis” (Fil. 2, 8). De schrijver van de Brief aan de Hebreeën trekt daarom de conclusie dat Jezus “gehoorzaamheid heeft geleerd door wat hij heeft geleden” (Hebr. 5, 8).

Dit alles maakt duidelijk dat “Sint-Jozef was geroepen door God om de persoon en missie van Jezus direct te dienen door het uitoefenen van zijn vaderschap”, en dat hij op deze manier “meewerkte, in de volheid van de tijd, aan het grote geheim van de verlossing, en dat hij werkelijk een (be)dienaar van de verlossing is.”

4 – Een aanvaardende vader

Jozef aanvaardde Maria onvoorwaardelijk. Hij vertrouwde op de woorden van de engel. “Het edele karakter van Jozefs hart was zo, dat hij datgene wat hij van de wet leerde, afhankelijk maakte van de liefde. Vandaag, in onze wereld waar psychologisch, verbaal en fysiek geweld tegen vrouwen zo duidelijk voorkomen, verschijnt Jozef als de figuur van een respectvolle en gevoelige man. Hoewel hij het grotere plaatje niet begrijpt, neemt hij de beslissing om Maria’s goede naam, haar waardigheid en haar leven te beschermen. In zijn aarzeling over hoe hij het best kon handelen, hielp God hem door zijn oordeelsvermogen te verlichten”.

Vaak gebeuren dingen in het leven waarvan we de betekenis niet begrijpen. Onze eerste reactie is vaak teleurstelling en opstandigheid. Jozef zet zijn eigen ideeën opzij om de loop van de dingen te aanvaarden en om ze, hoe mysterieus ze ook schenen, te omhelzen, om er verantwoordelijkheid voor te nemen en ze onderdeel te maken van zijn eigen geschiedenis. Als we niet in het reine zijn gekomen met onze eigen geschiedenis, zullen we niet in staat zijn om ook maar één stap vooruit te zetten, omdat we altijd gegijzeld zullen blijven door onze verwachtingen en de teleurstellingen die erop volgen.

De geestelijke weg waarop Jozef ons voorgaat, is er niet een die uitlegt, maar die aanvaardt. Alleen als gevolg van deze aanvaarding, deze verzoening, kunnen we voor het eerst een glimp opvangen van een bredere geschiedenis, een diepere betekenis. We kunnen haast een echo horen van het gepassioneerde antwoord van Job aan zijn vrouw, die hem had aangespoord om in opstand te komen tegen het kwaad dat hij had moeten verdragen, “Zullen we het goede uit Gods hand ontvangen, en het kwade niet ontvangen?” (Job 2, 10).

Het is bij Jozef zeker geen passieve berusting; hij is moedig en vastberaden actief. In onze eigen levens kunnen aanvaarding en verwelkoming een uitdrukking zijn van moed, een gave van de Heilige Geest. Alleen de Heer kan ons de kracht geven die nodig is om het leven te aanvaarden zoals het komt, met alle tegenstrijdigheden, frustraties en teleurstellingen van dien.

Jezus’ verschijning in ons midden is een gave van de Vader, die het ieder van ons mogelijk maakt om verzoend te worden met het vlees van onze eigen geschiedenis, ook als we die niet helemaal begrijpen.

Net zoals God tegen Jozef zei,  “Zoon van David, wees niet bang!” (Mt. 1, 20), zo lijkt hij ook tegen ons te zeggen, “Wees niet bang!” Wij moeten alle boosheid en teleurstelling opzij zetten, en de manier omhelzen waarop de dingen gaan, ook als ze niet naar onze wens zijn. Niet slechts met berusting, maar met hoop en moed. Op deze manier worden we open voor een diepere betekenis. Onze levens kunnen wonderbaarlijk herboren worden, als we de moed vinden om ze te leiden volgens het Evangelie. Het maakt niet uit als het lijkt alsof alles fout is gelopen of als sommige dingen niet meer kunnen worden hersteld. God is in staat om bloemen te laten bloeien op steenachtige grond. Zelfs als ons hart ons aanklaagt,  “God is groter dan ons hart, en Hij weet alles” (1 Joh. 3, 20).

Hier komen we opnieuw dat christelijke realisme tegen dat niets verwerpt van wat bestaat. De werkelijkheid, in al haar mysterieuze en onherleidbare complexiteit, is de drager van existentiële betekenis, met alle licht en schaduw van dien. Daarom kan de apostel Paulus zeggen, “Wij weten dat alle dingen samenwerken ten goede, voor hen die God liefhebben” (Rom. 8, 28). Waaraan de heilige Augustinus toevoegt,  “zelfs dat wat kwaad wordt genoemd (etiam illud quod malum dicitur)”. In dit grotere perspectief geeft het geloof betekenis aan elke gebeurtenis, hoe gelukkig of hoe droevig ook.

Maar we moeten niet denken dat geloven betekent, makkelijke en troostende oplossingen vinden. Het geloof dat Christus ons heeft geleerd, is wat we zien in Sint-Jozef. Hij ging niet op zoek naar kortere sluipweggetjes, maar trad de werkelijkheid met open ogen tegemoet en nam er persoonlijk verantwoordelijkheid voor.

Jozefs houding moedigt ons aan om anderen te aanvaarden en verwelkomen zoals ze zijn, zonder uitzondering, en om een bijzondere zorg te tonen voor de zwakken, want God verkiest wat zwak is. Hij is de “Vader der wezen en beschermer der weduwen” (Ps. 68, 6), die ons beveelt om de vreemdeling in ons midden lief te hebben.

Ik denk graag dat Jezus van Sint-Jozef inspiratie heeft gekregen voor de parabel van de verloren zoon en de barmhartige vader.

5 – Een creatief moedige vader

Als de eerste stap van alle ware innerlijke genezing is dat we onze persoonlijke geschiedenis aanvaarden, en zelfs die dingen in het leven omhelzen waar we niet zelf voor hebben gekozen, moeten we nu een ander belangrijk element toevoegen,  creatieve moed. Deze komt vooral aan het licht in hoe we omgaan met moeilijkheden. Wanneer we worden geconfronteerd met een probleem, kunnen we ofwel opgeven en weglopen, ofwel op de een of andere manier ermee aan de slag gaan. Soms brengen moeilijkheden een vindingrijkheid naar boven waarvan we niet eens wisten dat we die hadden.

Wanneer we de verhalen over Jezus’ kindertijd lezen, vragen we ons misschien vaak af waarom God niet op een directere en duidelijkere manier heeft ingegrepen. Maar God werkt door gebeurtenissen en mensen heen. Jozef was de man die was verkozen door God als gids aan het begin van de geschiedenis van de verlossing. Hij was het echte “wonder” waardoor God het kind en zijn moeder redt. God heeft gehandeld door vertrouwen te stellen in Jozefs creatieve moed. Toen hij aankwam in Bethlehem en geen herberg vond waar Maria zou kunnen bevallen, nam Jozef een stal en veranderde die, zo goed als hij kon, in een gastvrij thuis voor de Zoon van God die in de wereld kwam. Geconfronteerd met dreigend gevaar van de kant van Herodes, die het kind wilde doden, werd Jozef opnieuw gewaarschuwd in een droom om het kind te beschermen, en stond hij midden in de nacht op om de vlucht naar Egypte voor te bereiden.

Een oppervlakkige lezing van deze verhalen kan vaak de indruk wekken dat de wereld is overgeleverd aan de genade van de sterken en machtigen. Het “goede nieuws” van het Evangelie laat ons echter juist zien, bij alle arrogantie en geweld van aardse machten, dat God altijd een manier vindt om zijn reddingsplan te voltrekken. Ook onze levens kunnen soms overgeleverd lijken aan de genade van de machthebbers, maar het Evangelie laat ons zien wat telt. God vindt altijd een manier om ons te redden, als we maar dezelfde creatieve moed aan de dag leggen als de timmerman van Nazareth, die in staat was om van een moeilijkheid een mogelijkheid te maken, door altijd te vertrouwen op de goddelijke voorzienigheid.

Als God ons soms niet lijkt te helpen, betekent dit zeker niet dat we in de steek zijn gelaten, maar juist dat we het vertrouwen krijgen om zelf te plannen, om creatief te zijn, en om oplossingen te vinden.

Zo’n creatieve moed werd ook getoond door de vrienden van de verlamde man, die hem vanaf het dak lieten zakken om hem bij Jezus te brengen. Moeilijkheden stonden de durf en vasthoudendheid van deze vrienden niet in de weg. Zij waren ervan overtuigd dat Jezus de man kon genezen, en “aangezien ze geen manier vonden om hem naar binnen te brengen vanwege de menigte, gingen ze het dak op en lieten ze hem met bed en al neer, tussen de tegels door, in de kring vóór Jezus. Toen hij hun geloof zag, zei hij, ‘Vriend, uw zonden zijn u vergeven’” (Lc. 5, 19-20). Jezus erkende het creatieve geloof waarmee ze probeerden om hun zieke vriend bij Hem te brengen.

Het Evangelie vertelt ons niet hoe lang Maria, Jozef en het kind in Egypte bleven. Maar ze moesten zeker eten, onderdak vinden en werk. We hebben niet veel verbeelding nodig om die details in te vullen. De Heilige Familie moest concrete problemen onder ogen zien net als elke andere familie, net als zo velen van onze broeders en zusters die migrant zijn en die ook vandaag hun levens riskeren om aan ellende en honger te ontsnappen. In dit opzicht beschouw ik Sint-Jozef als de bijzondere patroonheilige van al diegenen die gedwongen zijn om hun thuisland te verlaten door oorlog, haat, vervolging en armoede.

Aan het eind van elk verhaal waarin Jozef een rol speelt, vertelt het Evangelie dat hij opstaat, het kind en zijn moeder meeneemt, en doet zoals God hem bevolen heeft. Inderdaad, Jezus en Maria, zijn Moeder, zijn de kostbaarste schat van ons geloof.

In het goddelijke verlossingsplan is de Zoon niet te scheiden van zijn Moeder, van Maria, die “voortging in haar pelgrimage van geloof, en trouw volhardde in de eenheid met haar Zoon tot ze bij het kruis stond”.

We zouden altijd moeten overwegen of wij ook Jezus en Maria beschermen, want op een mysterieuze manier zijn zij ook aan onze verantwoordelijkheid, zorg en bewaring toevertrouwd. De Zoon van de Almachtige kwam in onze wereld in een staat van grote kwetsbaarheid. Hij moest worden verdedigd, beschermd, verzorgd en opgevoed door Jozef. God vertrouwde Jozef, zoals Maria dat ook deed; in hem vond zij iemand die niet alleen haar leven zou redden, maar die aan haar en haar Kind altijd het nodige zou geven. In deze zin kan de heilige Jozef niet anders zijn dan de Beschermer van de Kerk, want de Kerk is de voortzetting van het Lichaam van Christus in de geschiedenis, net zoals Maria’s moederschap wordt weerspiegeld in het moederschap van de Kerk. In zijn voortdurende waken over de Kerk beschermt Jozef nog steeds het Kind en Zijn moeder, en ook wij, door onze liefde voor de Kerk, houden nog steeds van het Kind en Zijn moeder.

Dat Kind zou later zeggen,  “al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25, 40). Daarom is elke arme, behoeftige, lijdende of stervende persoon, elke vreemdeling, elke gevangene, elke zieke “het kind” dat Jozef nog steeds beschermt. Om deze reden wordt Sint-Jozef aangeroepen als beschermer van de ongelukkigen, de behoeftigen, vluchtelingen, de treurenden, de armen en de stervenden. Daarom kan de Kerk niet verzuimen om een bijzondere liefde te tonen aan de minsten van onze broeders en zusters, want Jezus toonde een bijzondere liefde voor hen en vereenzelvigde zich persoonlijk met hen. Van Sint-Jozef moeten we diezelfde zorg en verantwoordelijkheid leren. We moeten leren om te houden van het Kind en Zijn moeder, om te houden van de Sacramenten en de naastenliefde, om te houden van de Kerk en de armen. Elk van deze werkelijkheden is altijd het kind en zijn moeder.

6 – Een werkende vader

Een aspect van Sint-Jozef dat is benadrukt vanaf de tijd van de eerste sociale Encycliek, Rerum Novarum

van paus Leo XIII, is zijn relatie tot werk. De heilige Jozef was een timmerman die door eerlijk werk zijn gezin genoeg kon geven. Van hem leerde Jezus de waarde, de waardigheid en de vreugde van wat het betekent om brood te eten dat de vrucht is van het eigen werk.

In onze eigen tijd, waarin werkgelegenheid opnieuw een dringend sociaal probleem is geworden, en werkeloosheid soms recordhoogtes bereikt zelfs in landen die decennialang een bepaalde mate van welvaart hebben genoten, is er opnieuw de noodzaak om het belang op waarde te schatten van oprecht werk, waarvan Sint-Jozef een voorbeeldige patroon is.

Werk is een manier van deelnemen aan het verlossingswerk, een mogelijkheid om de komst van het Koninkrijk te bespoedigen, om onze talenten en vaardigheden te ontwikkelen, en om ze in te zetten ten dienste van de maatschappij en broederlijke gemeenschap. Het wordt een gelegenheid om vervulling te ervaren, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor die kiemcel van de samenleving die de familie is. Een familie zonder werk is extra kwetsbaar voor moeilijkheden, spanningen, vervreemding en zelfs scheiding. Hoe kunnen we spreken over menselijke waardigheid, zonder te werken om veilig te stellen dat iedereen een fatsoenlijk loon kan verdienen?

Werkende mensen, wat hun baan ook moge zijn, werken samen met God zelf, en worden in zekere zin scheppers van de wereld om ons heen. De crisis van onze tijd, die economisch is, sociaal, cultureel en spiritueel, kan dienen als een oproep voor ons allen om de waarde, het belang en de noodzaak van werk te herontdekken, om een nieuw “normaal” te laten ontstaan waarvan niemand is uitgesloten. Sint-Jozefs werk herinnert ons eraan dat God zelf, door mens te worden, het werk niet heeft geminacht. Het verlies van werkgelegenheid dat zo velen van onze broeders en zusters treft, en dat is toegenomen als gevolg van de Covid-19-pandemie, zou een oproep aan ons moeten zijn om onze prioriteiten opnieuw te bekijken. Laten we bidden tot Sint-Jozef de Arbeider om ons te helpen manieren te vinden die onze sterke overtuiging uitdrukken dat geen enkel jong mens, echt niemand, geen gezin zonder werk zou moeten zitten!

7 – Een vader in de schaduwen

De Poolse schrijver Jan Dobraczynski, in zijn boek De Schaduw van de Vader, vertelt het verhaal van het leven van Sint-Jozef in de vorm van een roman. Hij gebruikt het suggestieve beeld van een schaduw om Jozef te definiëren. In zijn relatie tot Jezus was Jozef de aardse schaduw van de hemelse Vader, hij waakte over Hem en beschermde Hem, verliet Hem nooit om Zijn eigen weg te gaan. We kunnen denken aan Mozes’ woorden tot Israël, “In de wildernis … zag u hoe de Heer uw God u droeg, zoals iemand een kind draagt, de hele weg die u hebt afgelegd” (Deut. 1, 31). Op een soortgelijke manier gedroeg Jozef zich zijn hele leven als een vader.

Vaders worden niet geboren, maar gemaakt. Een man wordt geen vader alleen door een kind te verwekken, maar door de verantwoordelijkheid op zich te nemen om voor dat kind te zorgen. Wanneer een man verantwoordelijkheid aanvaardt voor het leven van een ander, wordt hij in zekere zin een vader voor die persoon.

Kinderen lijken vandaag de dag vaak verweesd, vaderloos. Ook de Kerk heeft vaders nodig. De woorden van Sint-Paulus aan de Korintiërs blijven actueel,  “Hoewel u talloze gidsen hebt in Christus, hebt u niet veel vaders” (1 Kor. 4, 15). Elke priester of bisschop zou daaraan moeten kunnen toevoegen, met de Apostel,  “Ik ben uw vader geworden in Christus Jezus door het Evangelie” (1 Kor. 4, 15). Zo noemt Paulus ook de Galaten,  “Mijn kindertjes, voor wie ik opnieuw in barensweeën ben totdat Christus in u gevormd is!” (Gal. 4, 19)

Vader zijn houdt in, kinderen wegwijs maken in het leven en de werkelijkheid. Niet hen terughouden, overbeschermend zijn of bezitterig, maar juist hun de vaardigheid geven om zelf te beslissen, vrijheid te genieten en nieuwe mogelijkheden te verkennen. Misschien wordt Jozef om deze reden traditioneel aangesproken als “zeer kuise” vader. Die titel is niet alleen een teken van genegenheid, maar de samenvatting van een houding die het tegenovergestelde is van bezitterigheid. Kuisheid is vrijheid van bezitterigheid in elk gebied van het leven. Alleen wanneer de liefde kuis is, is het werkelijk liefde. Een bezitterige liefde wordt uiteindelijk gevaarlijk, ze zet gevangen, vernauwt en maakt ellendig. God zelf heeft de mensheid liefgehad met een kuise liefde; Hij heeft ons vrij gelaten zelfs om af te dwalen en ons tegenover Hem op te stellen. De logica van de liefde is altijd de logica van de vrijheid, en Jozef wist hoe hij moest liefhebben met buitengewone vrijheid. Hij zette zichzelf nooit in het middelpunt. Hij dacht niet aan zichzelf, maar richtte zich juist op de levens van Maria en Jezus.

Jozef vond het geluk, niet slechts in zelfopoffering maar in zelfgave. In hem zien we nooit frustratie, maar alleen vertrouwen. Zijn geduldige stilte was het voorspel van concrete uitdrukkingen van vertrouwen. Onze wereld vandaag de dag heeft vaders nodig. Ze heeft niets aan heersers die anderen zouden willen domineren om hun eigen behoeftes te compenseren. Ze verwerpt diegenen die gezag verwarren met autoritarisme, dienstbaarheid met onderdanigheid, discussie met onderdrukking, naastenliefde met een bijstandsmentaliteit, macht met vernietiging. Elke ware roeping wordt geboren uit de gave van zichzelf, die de vrucht is van volwassen opoffering. Het priesterschap en het gewijde leven vereisen ook deze volwassenheid. Wat onze roeping ook is, tot het huwelijk, het celibaat of de maagdelijkheid, onze zelfgave zal niet tot vervulling komen als die stopt bij opoffering; als dat het geval zou zijn, zou de zelfgave niet een teken worden van de schoonheid en vreugde van de liefde, maar zou die het risico lopen om een uitdrukking te worden van ongelukkigheid, droefheid en frustratie.

Als vaders weigeren om de levens van hun kinderen voor hen te leven, openen zich nieuwe en onverwachte vergezichten. Ieder kind is de drager van een uniek mysterie dat alleen aan het licht kan worden gebracht met de hulp van een vader die de vrijheid van dat kind respecteert. Een vader die beseft dat hij nog het meest vader en opvoeder is op het punt waarop hij “nutteloos” wordt, wanneer hij ziet dat zijn kind onafhankelijk is geworden en de paden van het leven zonder begeleiding kan gaan. Wanneer hij als Jozef wordt, die altijd al wist dat zijn Kind niet van hem was maar alleen aan zijn zorg was toevertrouwd. Uiteindelijk is dit wat Jezus ons wil doen begrijpen als hij zegt, “Noem niemand op aarde uw vader, want u heeft slechts één Vader, die in de hemel is” (Mt. 23, 9).

In iedere uitoefening van ons vaderschap moeten we altijd in gedachten houden dat het niets te maken heeft met bezitten, maar dat het juist een “teken” is dat verwijst naar een groter vaderschap. Op een bepaalde manier zijn we allemaal zoals Jozef, een schaduw van de hemelse Vader, die “zijn zon laat opgaan over de slechten en de goeden, en regen zendt over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen” (Mt. 5, 45). En een schaduw die zijn Zoon volgt.

8 – Afsluiting en gebed

“Sta op, neem het kind en zijn moeder” (Mt. 2, 13), zei God tegen Sint-Jozef.

Het doel van deze Apostolische Brief is om onze liefde voor deze grote heilige te vermeerderen, om ons aan te moedigen zijn voorspraak te vragen en zijn deugden en ijver na te volgen.

Ja, de eigenlijke missie van de heiligen is niet alleen om wonderen en genaden te verkrijgen, maar om onze voorspraak te zijn bij God, zoals Abraham en Mozes, en zoals Jezus, de “enige middelaar” (1 Tim. 2, 5), die onze “voorspraak” is bij de Vader (1 Joh. 2, 1) en die “altijd leeft om voor [ons] te pleiten” (Heb. 7, 25).

De heiligen helpen alle gelovigen “om te streven naar heiligheid en de vervolmaking van hun eigen levensstaat”. Hun levens vormen een tastbaar bewijs dat het mogelijk is om het Evangelie in praktijk te brengen.

Jezus zei ons, “Leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt. 11, 29). Ook de levens van de heiligen zijn voorbeelden om na te volgen. Sint-Paulus zegt dit expliciet,  “Wees navolgers van mij!” (1 Kor. 4, 16) Door zijn welsprekende stilte zegt Jozef hetzelfde.

Met het oog op het voorbeeld van zo vele heilige mannen en vrouwen, vroeg de heilige Augustinus zich af, “Wat zij konden doen, kun jij dat niet ook doen?” En zo naderde hij dichter tot zijn definitieve bekering, waarop hij kon uitroepen,  “Laat heb ik u lief gekregen, Schoonheid altijd oud, altijd nieuw!”

We hoeven de heilige Jozef alleen te vragen voor de genade bij uitstek, onze bekering.

Laten we nu ons gebed richten tot hem,

Wees gegroet, Beschermer van de Verlosser,

Bruidegom van de Heilige Maagd Maria.

Aan u heeft God zijn enige Zoon toevertrouwd;

in u heeft Maria haar vertrouwen gesteld;

bij u is Christus man geworden.

Gezegende Jozef, toon u ook voor ons een vader,

en begeleid ons op ons levenspad.

Verkrijg voor ons genade, barmhartigheid en moed

en verdedig ons tegen elk kwaad. Amen.

Gegeven te Rome, in Sint-Jan van Lateranen, op 8 december, het Hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria, in het jaar 2020, het achtste van mijn pontificaat.

Franciscus