Overweging ter voorbereiding van 30-06-2025, maandag in de 13e week door het jaar

Uit het commentaar van de heilige Beda de Eerbiedwaardige († 735) op het eerste boek Samuël

Zal ik uw koning kruisigen?

‘De oudsten van Israël kwamen bijeen, begaven zich naar Samuël in Rama en zeiden tot hem: u bent oud geworden en uw zonen bewandelen uw wegen niet. Stel daarom een koning aan om rechter over ons te zijn, een zoals alle andere volken die hebben’ (1 Sam. 8, 4-5).

Na de hemelvaart van de Heer kwamen de oudsten van het aardse Israël samen om zich tegen de Heer te richten. Ze stuurden een gezantschap naar Hem in Rama, dat wil zeggen: in de hoogte van de hemel waar alles wat wij op aarde doen, gekend is, sneller nog dan wij het kunnen uitspreken. Ze lieten meedelen: ‘Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt’ (Lc. 19, 14). Het was alsof ze woorden verspilden, toen ze spraken tot God voor wie niets verborgen is: de liefde en trouw aan U zijn oud geworden in ons en de zonen die U hebt opgevoed en groot gemaakt, verachten U (vgl. Jes. 1, 2). Daarom, zoals de heidenen die U niet kennen en zoals de rijken die uw Naam niet aanroepen, willen wij liever vrij zijn van uw heerschappij dan door onze trouw aan U ons rijk en vaderland te verliezen. Want als wij allen onze wijsheid prijsgeven en de eenvoud van uw leer navolgen, dan ‘zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen’ (Joh. 11, 48). Op deze wijze hebben de machthebbers tegen de Heer en zijn Gezalfde gesproken, zij het niet met woorden, dan toch door hun slechte innerlijke gezindheid.

‘Maar de Heer zei tot Samuël: geef gehoor aan het volk, wat zij u ook vragen, want zij verwerpen niet u, maar Mij; Mij willen ze niet langer als koning’ (1 Sam. 8, 7). Ontneem hun de vrije wil niet, maar geef aan allen die willen geloven, de macht om kinderen van God te worden. Wees niet bedroefd omdat de mensen u smaden en het volk u veracht. Niet uw leer, die van een mens is die spreekt, maar mijn leer, die van Hem is die door u werkt, hebben ze verworpen, zodat Ik hun het rijk niet geef. Op dezelfde wijze heeft ook Christus gesproken: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft’ (Joh. 7, 16). ‘Ze hebben Mij verlaten en andere goden gediend. Zo doen ze nu ook met u’ (1 Sam. 8, 8), dat wil zeggen: zo zullen ze ook de genade van de blijde boodschap afwijzen om hun eigen overleveringen te volgen die vervreemd zijn van God.