Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 122 (121)
De liefde geeft ons vleugels
Een onzuivere liefde steekt het hart van de mens in brand. Zij nodigt het vergankelijke wezen uit om het aardse te begeren en het vergankelijke na te jagen. Zij laat de mens in een afgrond zinken en stort hem in de diepten. De heilige liefde daarentegen brengt ons naar de hoogste hoogten; zij laat het eeuwige in ons ontvlammen, dat wat niet vergaat en nooit sterft. Zij maakt de ziel wakker en haalt ze uit de diepten naar boven om ze naar de hemel te brengen.
Elke liefde heeft haar eigen kracht. In het hart van een mens die bemint, kan zij niet werkloos blijven, maar neemt ze noodzakelijkerwijs de leiding. Als je de ware aard van de liefde wilt kennen, dan moet je goed kijken waarheen ze leidt. Wij vermanen je niet om niets lief te hebben, maar wij vermanen je de wereld niet te beminnen. Pas dan kun je in volle vrijheid Hem liefhebben die de wereld geschapen heeft.
De aardse liefde bindt het hart. Het is alsof er vogellijm aan zijn vleugels kleeft zodat het niet vliegen kan. Een hart dat echter gezuiverd is van troebele aardse liefde, slaat zijn vleugels uit, want zijn vlerken worden niet langer gehinderd. Daar vliegt het, gedragen door twee geboden: de liefde voor God en de liefde voor de naaste. Waarheen vliegt het hart? Het stijgt op naar God omdat de liefde het verheft. Nog vóór het hart dit kan, voelt het zich terneergedrukt, in zover het reeds het verlangen naar de hoogtevlucht in zich draagt. Het zegt: ‘Had ik vleugels zoals een duif, dan vloog ik weg en ging rusten’ (Ps. 55 (54), 7). Waarheen wil het wegvliegen? Weg van de ergernissen, weg van de omgang met slechte mensen. Weg van het kaf dat met tarwe vermengd is. Het hart wil vliegen naar een plaats waar het de nabijheid van goddeloze mensen niet meer hoeft te dulden. Het wil genieten van de gemeenschap met de engelen, de burgers van het eeuwige Jeruzalem.