Overweging ter voorbereiding van 26-02-2025, woensdag in de 7e week door het jaar

Uit de verhandelingen van Balduïnus, bisschop van Canterbury († 1190)

De liefde zoekt zichzelf niet maar Jezus Christus

De instelling van het leven in gemeenschap wordt door geen gering, onbeduidend, middelmatig gezag gesteund en geschraagd! De kerk zelf is gegrondvest op het aanvankelijk leven in gemeenschap: uit dat leven in gemeenschap begon de jonge kerk te groeien. Het leven in gemeenschap heeft van de apostelen zelf het voorbeeld van zijn werking ontvangen, de oorkonde van zijn grootheid, het voorrecht van zijn waardigheid, het getuigschrift van zijn gezag, het pleidooi van zijn verdediging en de grondslag van zijn hoop.

Met velen vormen wij één lichaam, wij zijn elkanders ledematen. Eén geest bezielt heel ons menselijk lichaam, in al zijn ledematen en hun gewrichten en verbanden. Hij bewerkt hun onderlinge vrede die op zijn beurt de eenheid van de geest zelf waarborgt. Hij bewerkt die vrede door de wederzijdse dienstbaarheid en het wederzijdse begrip van de ledematen, zoals door het onbaatzuchtig kloppen van het hart, door het doelmatig werken van de handen.

Geliefde broeders en zusters in Christus, waartoe anders sporen ons de voorbeelden van ons lichaam aan dan tot wederzijds geduld, wederzijdse onderdanigheid en wederzijdse liefde? Heeft God niet de wet van de liefde in ons lichaam geschreven om ons voor ons leven te onderrichten? Hij die deze wet aan ons lichaam gegeven heeft, geeft ons ook zijn zegen voor ons leven. Hij voedt ons door het voorbeeld van ons onbaatzuchtig kloppende hart, hij leidt ons door het voorbeeld van onze doelmatig werkende handen op de weg van de vrede, opdat wij de eenheid van geest bewaren door de liefde tot onze naaste. Als wij eensgezind en eendrachtig God beminnen, naar de zuivere opzet van onze levensstaat, wordt ongetwijfeld de liefde van God door de heilige Geest in ons hart uitgestort. Dan bezielt de ene Geest van God ons allen als één lichaam, zodat niemand van ons voor zichzelf leeft maar alleen voor God. Zo leven wij allen samen in eenheid van geest, door de ene Geest die in ons woont. Maar die eenheid van geest die door de liefde van God in ons gekomen is, wordt door de liefde tot de naaste in ons bestendigd. Zo blijven wij samen in de liefde van God, en als wij in die liefde blijven, blijven wij in God zelf, en God in ons.

Aldus kunnen wij door de liefde tot de naaste, als door een band van genegenheid en vrede, de liefde van God en de eenheid van de Geest behouden en in ons bewaren. Wie zijn broeder niet liefheeft, verloochent de eenheid van de Geest. Zo iemand bemint God niet, en evenmin leeft hij in de Geest van God maar in zijn eigen geest, doordat hij voor zichzelf leeft en niet voor God.

Een wezenlijk bestanddeel van de naastenliefde is de gemeenschap. Volledige liefde betekent volledige gemeenschap. Volledige gemeenschap is niets anders dan het gemeenschappelijk hebben van alles, zoals er geschreven staat: ‘Zij bezaten alles gemeenschappelijk’ (Hand. 4, 32). Maar wij zouden hieraan kunnen twijfelen door wat er verder te lezen staat: ‘Aan ieder werd uitgedeeld naar zijn behoefte’ (Hand. 4, 35).

Hoe hadden zij alles gemeenschappelijk, als zij elk voor zich een aantal dingen bezaten? De apostel Paulus maakt deze vraag nog ingewikkelder waar hij schrijft: ‘Aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van allen’ (1 Kor. 12, 7), en verder: ‘Er zijn verschillende gaven, er zijn vele vormen van dienstverlening, er zijn allerlei soorten werk’ (1 Kor. 12, 4-6). Hoe kan men dus alles gemeenschappelijk hebben, waar er zoveel verschillende gaven zijn en waar ieder zijn eigen gave ontvangt?

Al wie dus een eigen gave van God ontvangt, bezit die gave niet voor zichzelf alleen, maar voor God én voor de naaste. Ik zeg ‘voor God’, opdat niemand in een gave van God zijn eigen eer zoekt maar de eer van God. En ik zeg ‘voor de naaste’, opdat men altijd het gemeenschappelijk welzijn voor ogen houdt, niet dat van zichzelf. Want de liefde ‘zoekt zichzelf niet’ (1 Kor. 13, 5), maar wat van Jezus Christus is.