Uit een preek van de priester Johan Tauler († 1361)
De weg naar de hoogste en diepste waarheid
Wie erin slaagt de grondige kennis van zijn eigen ‘niets-zijn’ te bereiken, hij zal de naaste, kortste, rechtste en zekerste weg gevonden hebben naar de hoogste en diepste waarheid die we op aarde maar kunnen vinden. Om die weg in te slaan, is niemand te oud of te zwak, ook niet te onontwikkeld of te jong, niet te arm of te rijk. De weg heet: ‘Ik ben niets.’ Och, welk een onzegbaar leven ligt er in dat ‘Ik ben niets’!
Jammer genoeg wil niemand die weg inslaan, waar je ook om je heen kijkt. God moge het me vergeven dat ik dit zeg! Werkelijk, we zijn en willen en wilden steeds ‘iets’ zijn, altijd ‘iemand’ in de ogen van een ander. De mensen zijn daar zo door bevangen en geketend dat niemand zichzelf wil loslaten; de mens valt het lichter tien andere dingen te doen dan zichzelf éénmaal los te laten. En daar komt alle strijd vandaan, alle ellende.
En daarom al dat gejammer, al dat klagen; daarom zijn er die schrijven dat ze de mensen goddeloos en genadeloos vinden, liefdeloos en zonder enige deugd. Daarom vinden we geen vrede, noch van binnen noch om ons heen; alleen daaraan moeten we alles wijten waarin we tegenover God en de mensen te kort schieten. En dat komt alleen doordat we ‘iets’ willen zijn! Och, ‘niets-zijn’: dat zou – hoe dan ook, en overal – echte, volle, wezenlijke, eeuwige vrede betekenen met alle mensen; het zou het zaligste zijn, het zekerste, het edelste wat deze wereld heeft. En toch wil niemand er moeite voor doen – rijk noch arm, jong noch oud.
Luister goed: zolang je in je vlees nog een drupje bloed hebt, of merg in je botten, zonder het te hebben gebruikt om de ware overgave te bereiken, matig je dan maar niet aan te denken een overgegeven mens te zijn. Het is eerder zo: zolang jou dat allerlaatste restje echte overgave om zover te komen, ontbreekt, zal God je eeuwig veraf blijven. De diepste en hoogste zaligheid zul je niet ervaren in tijd en eeuwigheid.
De graankorrel moet noodzakelijkerwijze te gronde gaan, wil hij vrucht voortbrengen; sterft hij echter, dan brengt hij veel en grote vrucht voort. Ook in dit opzicht moet er een sterven plaatsvinden, een vernietigd worden, een zelfvernietiging. ‘Ik ben niets’ moet een feit worden. Waarachtig, bij God die de waarheid is: dat wensen, ernaar verlangen, erom vragen is niet genoeg; je moet het met inspanning van je krachten verwerven, je moet er de moeite voor overhebben. Wat niets kost, is niets waard.
Keer in tot jezelf en zie hoe ver je nog af bent van het beeld van onze Heer Jezus Christus en hoe weinig je al op Hem lijkt. Zijn lijden was groter en ging dieper dan al het lijden te zamen dat ooit mensen in deze tijdelijkheid hebben verduurd of ooit zullen verduren. Velen willen zich wel aan God uitleveren, maar niet aan de mensen. Ze willen dat God het hun moeilijk maakt, maar niet dat de mensen het doen. Nee, we moeten ons overgeven: zoals God het wil. En iemand die zo goed is je te laten zien dat je ‘niets’ bent, hem moet je met grote dankbaarheid en liefde aanvaarden; want hij herinnert je echt aan wat je bent: ‘niets’.
Dat we allen tot die vernietiging mogen komen en zodoende verzinken in het goddelijke zijn, daartoe helpe ons God.