Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 32 (31)
Die buiten staan, zijn onze broeders en zusters, of ze het nu willen of niet
Broeders en zusters, voor alles sporen wij u aan dat gij de liefde beoefent: niet alleen onder elkaar maar ook ten opzichte van degenen die buiten staan, of ze nu heidenen zijn die nog niet in Christus geloven, of van ons gescheiden zijn, terwijl zij wel het hoofd, Christus, gelovig belijden maar van het lichaam afgesneden zijn.
Laten wij om hen treuren als om onze broeders en zusters. Of ze het nu willen of niet, ze zijn onze broeders. Pas dan zijn ze geen broeders meer, wanneer ze niet meer ‘onze Vader’ zeggen. Van bepaalde mensen zegt de profeet: ‘Tot degenen die u zeggen: gij zijt niet onze broeders, zegt tot hen: gij zijt onze broeders’ (Jes. 66, 5 – LXX). Gaat eens na van wie hij dat gezegd kan hebben. Soms van de heidenen? Neen! Want wij noemen hen niet onze broeders en zusters, noch volgens de heilige Schrift noch volgens het kerkelijk spraakgebruik. Misschien van de joden die niet in Christus geloofd hebben?
Lees de Apostel. Wanneer hij zonder er iets aan toe te voegen ‘broeders’ zegt, dan bedoelt hij alleen maar de christenen: ‘Met welk recht veroordeelt gij uw broeder? En gij, waarom kleineert gij uw broeder?’ (Rom. 14, 10), en op een andere plaats zegt hij: ‘Gij pleegt zelf onrecht, zelf berokkent gij schade, en nog wel aan broeders’ (1 Kor. 6, 8).
De afgescheiden christenen, de donatisten, die zeggen: ‘Jullie zijn niet onze broeders’, noemen ons heidenen. Daarom willen zij ons ook opnieuw dopen en willen daarmee zeggen dat wij niet bezitten wat zij geven. Uit hun dwaling volgt daarom logisch dat zij niet aanvaarden dat wij hun broeders zijn. Maar waarom heeft de profeet ons bevolen: ‘Zegt tot hen: gij zijt onze broeders’? Is het niet, omdat wij bij hen erkennen wat wij zelf niet doen, namelijk herdopen? Als wij hen niet opnieuw dopen, maar hun doop als de onze erkennen, zeggen wij tot hen: ‘Jullie zijn onze broeders.’
Misschien zullen zij zeggen: waarom zoeken jullie ons, wat moeten jullie van ons? Laten wij dan antwoorden: jullie zijn onze broeders. Zeggen ze dan: ga weg van ons, wij hebben niets met jullie te maken! Laten wij dan zeggen: wij belijden de ene Christus en wij moeten in het ene lichaam onder het ene hoofd verenigd zijn.
Daarom bezweren wij u, broeders en zusters, bij Hem die een hart vol liefde heeft, bij Hem door wiens melk wij gevoed en door wiens brood wij gesterkt zijn, bij Jezus Christus onze Heer, voor hen te bidden. Bij zijn goedheid doen wij een beroep op jullie. Het is immers tijd dat wij een grote liefde aan hen besteden en een overvloeiende barmhartigheid bewijzen door voor hen tot God te bidden, opdat Hij hun eindelijk gezond verstand mag geven, zodat zij tot bezinning komen en inzien dat zij tegen de waarheid niets in te brengen hebben. Zij hebben alleen nog maar hun ziekelijke eerzucht en zijn des te zwakker, naarmate zij hun kracht hoger inschatten. Daarom bidden wij u met aandrang voor deze zieken, voor hen die vleselijk en aards denken, maar die niettemin onze broeders en zusters zijn. Zij vieren immers dezelfde sacramenten, hoewel niet samen met ons; toch zijn het dezelfde sacramenten. Zij zeggen hetzelfde ‘Amen’, hoewel niet samen met ons; toch is het hetzelfde ‘Amen’. Brengt God ten bate van hen het offer van uw innige liefde.