Overweging ter voorbereiding van 22-02-2026, eerste zondag in de veertigdagentijd

Uit de geschriften van de priester Karl Rahner († 1984)

De eerste opdracht van de mens is: God vinden, God zoeken

Het uiteindelijke resultaat van het vasten van Jezus in de woestijn was voor Hem, volgens het verhaal in het evangelie: zijn bekoring door de duivel (vgl. Mt. 4, 1-11). In het leven van de Heer staat deze bekoring aan het begin van zijn messiaanse activiteit. Voordat Hij zich op weg begeeft om het rijk van God aan te kondigen dat in zijn persoon is gekomen, voordat Hij zijn prediking begint, bidt Hij. Voordat Hij in het openbaar optreedt, gaat Hij de woestijn in. Voordat Hij zich onder de mensen begeeft, zoekt Hij de eenzaamheid. Voordat Hij de mensen opzoekt, zoekt Hij het gelaat van zijn Vader in de hemel. Daarbij vast Hij.

Jezus is waarachtig mens. Alles wat door zijn vereniging met het eeuwige Woord van God zijn grondslag vond in zijn menselijke natuur, moet ook een duidelijke en concrete vorm aannemen in wat Hij doet en ondergaat, juist omdat Hij een echte historische mens is, omdat Hij leeft en menselijke ervaringen opdoet. Weliswaar is Hij steeds in het huis van zijn Vader (vgl. Lc. 2, 49), weliswaar is zijn ziel in feite voortdurend in gebed met de eeuwige God verbonden. Toch vindt men in het leven van Jezus momenten waarop deze verborgen verbondenheid met God concrete vormen aanneemt in dat wat men juist een uitdrukkelijk, een gewild en gezocht gebed noemt. Daarom gaat Jezus naar de woestijn en daarom vast Hij. Daarom wil Hij dat al het andere dat verder nog het leven van een mens kan bepalen, tot zelfs de primitieve handhaving van zijn bestaan, op de achtergrond komt te staan. Zo wil Hij eenmaal, niet slechts in de diepte van zijn hart, maar in de volle omvang van zijn menselijk bestaan, doen en zeggen wat de eerste en laatste opdracht van de mens is: God vinden, God zoeken, Hem toebehoren in een mate die alles overtreft wat verder nog van wezenlijk belang is voor het mensenleven. En daarom vast Hij. Dit is een tastbare harde daad, waarmee Hij afziet van alles wat het leven veraangenaamt, zoals eten en drinken.

Hij zoekt de eenzaamheid en de verlatenheid van de woestijn, Hij ontvlucht dus als het ware de wereld en de ruimte die noodzakelijk is voor ons leven op aarde. Hij trekt eruit weg. Door dit alles geeft Hij te kennen: het uiterste en beslissende is dat Ik bij God ben en Hem vind. Al het andere, hoe groot en mooi het ook is, komt pas op de tweede plaats en is van ondergeschikt belang; het moet onderworpen zijn aan deze uiterste gerichtheid van de geest en van het hart, zo zelfs dat men bereid is dit alles op te offeren.

Jezus wordt in de woestijn van zijn eenzaam bidden op de proef gesteld. Hij begint zijn messiaanse zending doordat Hij niet slechts in de uiterste diepte van zijn wezen, maar ook in de daad die zijn hart Hem ingeeft, de stap zet naar de overkant van de oneindige afgrond tussen God en schepsel, naar de plaats waar wij ons bevinden, de armen en de machtelozen, de eenzamen en verlatenen. Juist dan is Hij degene tot wie de duivel zei: ‘Als Gij de Zoon van God zijt’ (Mt. 4, 3.6). Omdat wij mens zijn en geen duivel, moeten wij zeggen: ‘Als Gij de Zoon van God zijt’, moet Gij de zoon van mensen zijn zoals wij. Want alles wat wij moeten dragen en tot de dood moeten ondergaan, kan slechts verlost worden als Gij het met ons draagt en ondergaat, en als Gij niets anders wilt dan ons lot te delen.

Wij moeten over alles wat alleen maar wereld is, vol geloof, hoop en liefde heenstappen, wij moeten beseffen dat wij kinderen van God zijn. Wij moeten echt alles aanvaarden wat over ons beschikt is, armoede misschien en eenzaamheid, en ook het onvermogen om de wereld anders te maken dan zij voor ons in dit leven is. Juist dan beleven wij de navolging van Jezus, dan voelen wij ons omarmd door de liefde en de genade van God. En God die niet wil dat wij eenzaam en verlaten blijven, zegt ons dan in al zijn macht: jij bent mijn kind, met eeuwige liefde heb Ik je bemind.