Overweging ter voorbereiding van 17-09-2025, woensdag in de 24e week door het jaar

Uit de ‘Dialoog over de goddelijke Voorzienigheid’ van de heilige Catharina van Siena († 1380)

In liefde verbonden

Mijn allerliefste Heer, wees genadig en wend uw ogen vol mededogen naar dit volk en naar het mystieke lichaam van uw kerk. Want nog groter eer zal uw Naam ten deel vallen, indien Gij vergeving schenkt aan zo’n grote menigte van uw schepselen en niet alleen aan mij, ellendige, die zo vaak uw majesteit heb beledigd. Hoe zou ik mij getroost kunnen voelen, omdat ik mijzelf in leven weet, terwijl uw volk de dood nabij is? Hoe zou ik gerust kunnen zijn, als ik uw lieve bruid, de kerk, omgeven zie met de duisternis der zonden ten gevolge van mijn fouten en die van uw andere schepselen?

Dit wil ik dan ook en dit vraag ik als een bijzondere genade: dat Gij haar barmhartigheid bewijst op grond van uw overgrote liefde die U heeft bewogen om de mens te scheppen naar uw beeld en gelijkenis. Waaraan of aan wie – zo vraag ik U – heeft de mens het te danken dat hij door U in zo’n hoge waardigheid is gesteld? Ongetwijfeld is hier alleen uw onschatbare liefde in het spel: Gij hebt uw schepsel in Uzelf gezien en Gij zijt door liefde gedreven. Ik weet echter heel goed dat dit schepsel door de schuld van de zonde terecht de waardigheid heeft verloren waarin Gij het eens hadt gesteld.

Maar door dezelfde liefde gedreven, hebt Gij de mensen genadig met U willen verzoenen. Daarom hebt Gij ons het Woord, uw enige Zoon, gegeven. Hij was werkelijk een bemiddelaar, de Middelaar tussen U en ons. Hij was onze gerechtigheid, want al onze ongerechtigheden en zonden hebt Gij, eeuwige Vader, op Hem gelegd, toen Gij besloten hadt dat Hij onze mensheid zou aannemen, en Hij heeft ze uit gehoorzaamheid zelf gedragen en uitgeboet. O onpeilbare afgrond van liefde! Wie is zo arm aan gevoel dat het hem niets doet en zijn hart niet verscheurd wordt, als hij zo hoge Majesteit ziet afgedaald tot zo lage staat als onze mensheid?

Wij zijn uw beeld en Gij zijt ons beeld, want Gij hebt een eenheid tot stand gebracht tussen Uzelf en de mens, toen Gij uw eeuwige godheid als met een wolkensluier bedekte en het armzalige en zondige vlees hebt aangenomen van Adam. Vanwaar dit alles? Alleen uw onuitsprekelijke liefde is hiervan de oorzaak. Bij deze onschatbare, overgrote liefde smeek ik uw Majesteit dan ook nederig, met heel mijn hart: bewijs uw armzalige schepselen genadig uw barmhartigheid.