Overweging ter voorbereiding van 14-11-2024, donderdag in de 32e week door het jaar

Uit de geschriften van de priester Jan De Fraine († 1966)

Een voorbeeld van heldhaftige trouw

Een der meest ontroerende tonelen van de gruwelijke Makkabeeën-opstand is wel de beschrijving van de marteldood van de Zeven Makkabeese Martelaren. In het tweede boek van de Makkabeeën wordt de marteldood van die zeven broeders vrij realistisch, maar toch met eerbiedige fijngevoeligheid door de gewijde schrijver uit het overvloedige relaas van een apocrief geschrift samengevat. Vooral het einde van het bijbels verhaal is aangrijpend in zijn eenvoud; het tekent de heerlijke figuur van de anonieme moeder die, als de oudtestamentische moeder van smarten, getuige is van de afgrijselijke martelingen van haar kinderen.

Men voelt de bewogenheid van de gewijde schrijver nog natrillen in de ongekunstelde inleidingswoorden: ‘Maar ook de moeder heeft recht op onze bewondering, en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Want ofschoon zij op één dag haar zeven zonen zag sterven, hield zij moedig stand, omdat zij op de Heer vertrouwde’ (2 Makk. 7, 20).

De zwaarste marteling van deze onbekende joodse vrouw uit Antiochië bestond hierin dat zij de marteldood van haar zeven zonen heeft moeten aanschouwen. Haar eigen dood, na deze zevenvoudige doorboring van haar moederhart, was een verlossend mogen sterven. Ongetwijfeld heeft elke foltering die haar kinderen aangedaan werd, een wonde geslagen in hart en gemoed van deze fijngevoelige vrouw. Maar, te midden van de vreselijke vervolging van haar geloofsgenoten door de Syrische koning Antiochus IV, verschijnt zij als een stralend voorbeeld van heldhaftige trouw aan haar voorvaderlijk geloof.

Op grond van dit eenvoudig, maar rotsvast geloof aan Gods scheppende werking in haar schoot, belijdt zij haar innigste overtuiging: ‘Hij zal dus in zijn barmhartigheid weer adem schenken en leven, nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet.’

Uit heel de houding van deze oudtestamentische heilige spreekt een zeer zuiver vooraf aanvoelen van het woord van de heilige Paulus: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, waarvan ons de openbaring te wachten staat’ (Rom. 8, 18). De subliem gelovige vrouw kende slechts één zorg, dat namelijk geen enkel van haar kinderen de martelaarskroon zou verliezen. Zij had de zonen van haar smarten, toen ze veertig dagen oud waren, in de tempel aan de Heer opgedragen en opgeofferd; op het ogenblik van de marteling heeft ze dat offergebaar herhaald.

Met dezelfde zorg waarmee andere moeders hun kind aan de dood zoeken te onttrekken, spreekt zij haar zonen moed in, opdat ze uit vrees voor de dood niet krampachtig aan het aardse leven zouden vasthouden. De tegenwoordigheid van de heldhaftige moeder, de blik uit haar ogen en het woord uit haar mond zullen wellicht meer dan één voor afval en geloofsverzaking hebben behoed!

De vrijmoedigheid waarmee de kinderen de vuurproef van hun geloof in het aangezicht van de vervolging doorstaan, is voor een groot deel te danken aan de opvoeding in de vrome huiselijke kring; het hart der jongens had blijkbaar gebrand, toen de heilige moeder hun de Schrift ontsloot en voor hun ogen de rij van geloofshelden liet voorbijtrekken, waarvan de Hebreeëenbrief getuigt dat ze ‘zich lieten folteren… om een betere opstanding te verkrijgen’ (Heb. 11, 35).