Overweging ter voorbereiding van 13-08-2026, donderdag in de 19e week door het jaar

Uit een preek van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394), over het Hooglied

Gebed tot de goede Herder

Waar laat Gij, goede Herder, die de hele kudde op uw schouders neemt, haar grazen? Immers, heel de menselijke natuur, die Gij op uw schouders genomen hebt, is als één dier uit die kudde. Toon mij de plaats van de groene velden, leer mij het water kennen waar ik kan rusten en leid mij naar grazige weiden (vgl. Ps. 23 (22) 2-3). Roep mij bij mijn naam, opdat ik uw stem hoor, ik die uw schaap ben, en geef mij door uw stem het eeuwig leven. ‘Zeg het mij toch, mijn zielsbeminde’ (Hoogl. 1, 7).

Zo immers noem ik U, omdat uw Naam verheven is boven alle namen. Hij kan door geen enkel met verstand begaafd wezen uitgesproken noch begrepen worden. Daarom brengt de naam die uw goedheid verkondigt, mijn welwillende houding jegens U tot uiting. Hoe zou ik U immers niet kunnen beminnen, Gij die mij, terwijl ik zo zwart was, zó bemind hebt dat Gij uw leven voor de schapen die Gij weidt, gegeven hebt (vgl. Joh. 10, 11)? Men kan geen grotere liefde bedenken dan dat Gij in ruil voor mijn redding uw leven gegeven hebt.

‘Zeg toch – zo staat er geschreven – waar laat Gij uw kudde grazen’ (Hoogl. 1, 7), opdat ik, na de weide van mijn redding gevonden te hebben, verzadigd word met het hemelse voedsel. Zonder dit voedsel gegeten te hebben, kan men het eeuwige leven niet binnengaan. Ik zal naar U die de bron zijt, toe snellen en drinken van de goddelijke drank die Gij voor de dorstigen als een bron doet opwellen, Gij die, sinds het ijzer van de lans de bronader geopend heeft, het water schenkt dat uit uw zijde stroomt. Hij die daarvan proeft, wordt zelf een ‘waterbron, opborrelend tot eeuwig leven’ (Joh. 4, 14).

Immers, als Gij mij daar laat grazen, zult Gij mij in de middag te ruste leggen en ik zal daar – in vrede slapend – tevens rusten in het schaduwloze licht. De middag kent immers geen schaduw, daar de zon op haar hoogtepunt is, wanneer Gij hen die door U geweid worden, te ruste legt, wanneer Gij uw kinderen bij U in uw rustplaats opneemt. Niemand wordt echter de rust in de middag waardig gekeurd die geen kind is van het licht en van de dag. Hij echter die zich even ver van het duister van de avond als van het duister van de morgen verwijderd heeft – dat is waar het kwaad begint en waar het kwaad ophoudt – hij wordt door de zon van de gerechtigheid in de middag te ruste gelegd.

Laat mij dan, zegt het Hooglied, weten hoe men zich te ruste moet leggen en wat de weg is naar de rust in de middag. Laat mij nooit van de goede weg die Gij wijst, afdwalen en laat onbekendheid met de waarheid mij nooit voegen bij andere kudden dan die van U.

Zo sprak de ziel, omdat zij bezorgd was over de schoonheid die haar van Godswege ten deel was gevallen, en omdat zij verlangde te weten, hoe zij haar schone gestalte voor eeuwig zou kunnen behouden.