Uit de geschriften van de priester Albert Dondeyne († 1985)
Het samengaan van de ware kennis van God en de naastenliefde
De bijbelse godsdienstigheid blijft toegespitst op de schroomvolle erkenning en zelfs de navolging van God, wiens scheppende goedheid en waakzame voorzienigheid de universele mensheid omspant. Niet in het offeren van vruchten en het plengen van bloed voltrekt zich de ware erkenning van God, maar in het volbrengen van zijn heilige wil. ‘De zwakke en verdrukte helpen aan hun recht, dat is: Mij kennen, zo luidt de godsspraak van de Heer’ (Jer. 23, 16).
Deze wederzijdse doordringing van het geloof in God en het menselijk gedrag blijft ook in het Nieuwe Testament bewaard en bereikt er haar voltooiing. In de ogen van Jezus is het eerste gebod: gij zult de Heer uw God boven al liefhebben, niet te scheiden van het tweede: gij zult uw naaste beminnen zoals uzelf (vgl. Mt. 22, 38-39). Meer nog, de voorkeur moet gaan naar de kleinsten: ‘Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders en zusters, hebt gij voor Mij gedaan’ (Mt. 25, 40). Zo hebben zijn leerlingen het ook begrepen. ‘Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader, is dit: wezen en weduwen opzoeken in hun nood,’ aldus Jakobus, de eerste bisschop van Jeruzalem (1, 27). Die wezenlijke verbondenheid van de ware kennis van God en de universele naastenliefde heeft Johannes op een onovertrefbare wijze geformuleerd in zijn eerste brief: ‘Wie zijn broeder die hij ziet, niet liefheeft, kan God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien’ (1 Joh. 4, 20). De broederliefde is als het ware sacrament, dat wil zeggen: teken en instrument van de aanbidding van de Vader in geest en waarheid (vgl. Joh. 4, 23).
Het zal een van de voornaamste opgaven moeten worden van het hedendaags gelovig-in-de-wereld-zijn dat wij opnieuw gaan ontdekken hoe het evangelisch geloof in God – dat is: het luisteren naar Gods woord – niet kan worden gescheiden van de evangelische levenswijze. In Jezus is openbaar geworden wat God uiteindelijk met de mensheid bedoelt, hoezeer Hij van de mensen houdt, tot welke hoogten Hij de mensheid oproept en bestemt. Met andere woorden: de zelfopenbaring van God, die geschiedt in Jezus Christus en in de uitstorting van zijn Geest, is meteen een openbaarmaking van de mens aan zichzelf en een oproep om het mens-zijn ook in daden waar te maken. Dat is precies de bedoeling van alle waarachtig en creatief menselijk handelen.