Uit een homilie van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over het boek Genesis
God verlaat de zijnen niet
‘Ik ben de God die u verschenen is op de plaats waar gij een steen met olie begoten hebt’ (Gen. 31, 13). God wil Jakob in herinnering brengen wat Hij hem toen beloofd heeft: ‘Ik zal u tot een groot volk maken, Ik zal u behoeden en u terugvoeren naar uw land’ (Gen. 48, 4; 28, 15).
Hij zegt: Ikzelf, die toen aan u verschenen ben en u de beloften heb gedaan, Ik beveel u ook nu, omdat de tijd is gekomen waarop het beloofde in vervulling moet gaan, zonder enige angst terug te keren. ‘Want Ik zal met u zijn’ (Gen. 28, 15). ‘Ik ben de God die u verschenen is op de plaats waar gij een steen met olie begoten hebt en Mij een belofte hebt gedaan’ (Gen. 31, 13).
God herinnert Jakob aan de plechtige belofte die Hij van hem ontvangen had. Waarin bestond die belofte? Van alles wat Gij mij schenkt, zal ik U tienden geven’ (Gen. 28, 22). En God zegt verder tot Jakob: ‘Jij was in die tijd zonder enig bezit; als een vluchteling trok je verder. Maar toen Ik je verschenen was, heb je de belofte afgelegd: van alles wat Gij mij schenkt, zal ik U tienden geven. Met deze plechtige belofte heb je mijn macht bevestigd, met de ogen van het geloof heb je je toekomstige rijkdom gezien. Nu is gebeurd en voltooid wat Ik heb gezegd. Het zou daarom rechtmatig zijn dat ook jij je belofte vervult: sta op, trek weg uit dit land en keer terug naar je geboortegrond. Ik zal met je zijn (Gen. 31, 13.3). Ik zal je overal vergezellen. Ik zal je een gemakkelijke weg tonen, en geen schade van wie ook zul je ondervinden. Mijn rechterhand zal je overal vergezellen.’