Overweging ter voorbereiding van 02-03-2025, 8e zondag door het jaar

Uit een toespraak van de heilige priester en martelaar Titus Brandsma († 1942)

Gods inwerking op ons in de mystiek

De mystiek is meer dan de openbaring Gods. Als zij de vereniging van God met de mens doet zien, dan heeft zij haar menselijke zijde. Zoals de bloem zich in de ongeziene stralen van de zon naar deze bron van licht en warmte richt, zo richt zich ook het menselijk hart dat zich vrij weet te maken van onedele driften, naar God, zoekt Hem, luistert of Hij spreekt, roept Hem opdat Hij antwoord geeft, opent de deur opdat hij zich laat zien. Ja, de menselijke ziel zoekt naar God. In Hem vindt zij rust. Zij zoekt Hem langs alle wegen. Zij voelt zijn nabijheid en bereidt zich voor op zijn openbaring. In spanning zit zij neer of de Beminde niet komt, of zij zijn tred niet hoort, zijn stem niet verneemt. ‘Als de ziele luistert’, zong Gezelle. Als de ziele luistert, ja, dan beluistert zij God die in ons spreekt, nu eens in en door zijn schepselen, soms ook zelf rechtstreeks.

Het kan ons niet verwonderen dat de ziel in zulk een spanning van liefde en heimwee God soms meent te zien of te horen, terwijl Hij nog achter de nevelen verborgen is en de stilte van geloof en rede niet verbreekt. Daar is aldus gemakkelijk misleiding in het spel, maar van de andere kant is zelfs die misleiding nog een element van waarheid. Het beeld van God dat zulk een ziel zich vormt, moge vele elementen bevatten van de eigen verbeelding, maar men moet zich niettemin wachten alle verbeelding hier ziekelijk te noemen. Onze natuur is op God gestemd en ook al spreekt Hij niet, zodat de resonans in de snaren van onze ziel zijn klanken doet klinken, de beroering van die snaar door aanraking met het schepsel geeft geen andere toon dan die God daarin zou doen weerklinken, als Hij sprak.

Er is in het mystieke leven zulk een sfeer van gelijkgestemdheid dat men God speurt in de godminnende ziel, reeds vóór Hij zich zichtbaar en hoorbaar en voelbaar doet kennen. Het zou echter geheel onjuist zijn, de mystiek alleen te beschouwen in dit stemmen van de zielesnaren op God, ze te zien als een ontwikkeling van onze vermogens, zodat zij zich slechts met het goddelijke bezighouden, daarin geheel opgaan, en daarin niet te zien de goddelijke zijde, de inwerking van God op ons, dat toch het eigenlijke is in het mystieke leven.

Er is gelukkig meer. God die in ons leeft en in wie wij leven, ons bewegen en zijn, houdt zich niet altijd schuil, zelfs niet achter de beelden die de God-zoekende geest, krachtens zijn natuur en dus volgens Gods scheppende wil, van Hem maakt. In zijn goedheid, in zijn alles overweldigende liefde doet Hij meer dan eens het beeld wijken voor de werkelijkheid, de verbeelding voor de bewuste ervaring.