Overweging ter voorbereiding van 01-03-2025, zaterdag in de 7e week door het jaar

Uit een toespraak van de heilige priester en martelaar Titus Brandsma († 1942)

Wanneer zowel rede als geloof ons onszelf doen kennen als dragers van God

Mystiek is voor mij het heerlijkste, het mooiste in onze heilige godsdienst, een voorsmaak van de hemel, omdat zij de vereniging, de innigste vereniging laat zien van de mens met God en van God met de mens.

Die mystiek ontbrak nooit in de kerk Zij is de bloem waarin de plant van het geloof en van de genade haar pracht tentoonspreidt in de weelde van haar levenskracht. God wilde dat zijn kinderen het leven zouden hebben, het leven van geloof en genade, maar Hij wilde dat zij het overvloedig zouden hebben. Dat leven moest tintelen en gloeien, stralen en lichten. God die zich zo gaarne schuilhoudt achter de nevelen van het verstand zowel als achter de raadselen en geheimen van het geloof, scheurt nu en dan de wolken uiteen om met een enkel straaltje van zijn zon het leven in een andere tint te zetten, anders te laten bezien, met goud te overgieten, tot iets te bestempelen, niet alleen van ons maar ook van Hem.

God is ons zo nabij, maar wij zien Hem niet, wij worden Hem slechts gewaar in de flauwe weerspiegeling van zijn wezen in het schepsel, waaruit ons verstand zijn tegenwoordigheid moet afleiden, maar waarin wij Hem niet onmiddellijk gewaarworden. De heilige Paulus zegt dat we niet te verontschuldigen zijn als wij dit niet doen, wat wel insluit dat zijn tegenwoordigheid – zij moge dan niet onmiddellijk worden gekend – niettemin duidelijk tot ons spreekt. De niet-noodzakelijkheid van ons wezen, ook al bestaat dit, predikt ons bij voortduring onze afhankelijkheid, onze schepping, Gods werk in ons dat één is met zijn wezen, zodat wij uit de beschouwing van onszelf reeds zonder moeite met ons verstand komen tot de erkenning van Gods zijn in ons.

Nog inniger is God met ons wezen verbonden door de genade die Hij ons schenkt en waardoor Hij het medebeginsel is van onze handelingen, in zover zij verricht worden in vereniging met Hem en daardoor door God zelf geordend zijn tot het verwerven van onze vereniging met Hem in de hemel. Die genade kennen we echter slechts door het geloof.

Maar wanneer zowel rede als geloof ons onszelf doen kennen als dragers van God, wanneer God in ons is, God, de levende God, die overvloeit van liefde, hoe kan het dan haast anders, of nu en dan wordt het Hem, om zo te zeggen, te machtig om zich nog verder schuil te houden voor het hart dat naar zijn aanschijn verlangt. Dan geeft Hij reeds hier op aarde een voorsmaak van wat de hemel eens in eeuwigheid voor ons zal zijn: de aanschouwing Gods, het besef en de gewaarwording van eenheid met God, een enkele maal zelfs de onmiddellijke kennis van God, niet langer in spiegelbeelden en raadselen maar van aanschijn tot aanschijn.

Die innerlijke beroering van God, dit genieten van zijn heerlijkheid, dat gebruik maken en voelen van zijn kracht, dat zien van God als bron en laatste oorzaak, als de diepste grond van al wat is, in het ding zelf dat Hij heeft gemaakt, nog maakt, eeuwig maakt, in stand houdt zolang het zal bestaan, met zijn werking en dus met zijn wezen vervult; het brengt ons God zo nabij, het maakt ons zo één met Hem. Wij slaan Hem gade, wij speuren zijn wegen na, en zo verborgen is God niet, wil Hij niet zijn, of voor het vindingrijke minnende hart is Hij te ontdekken, aan het van heimwee smachtende hart openbaart Hij zich. Hij staat aan de deur en klopt en wacht dat Hem wordt opengedaan.