Lezingen voor Dionne

Onze taal kent tal van spreuken en gezegden waarin de symboolbetekenis van brood duidelijk opleeft, omdat iedereen de realiteit van brood
door en door kent. ‘De één zijn dood is de ander zijn brood’, of nog ‘er geen brood in zien zitten’, of nog ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’.
Met dit laatste gevleugelde gezegde zijn wij zó de Bijbel ingestapt: zijn Brood eten, zijn Woord spreken. In de Schrift is er heel veel sprake van
brood. Hoe zou het anders kunnen in een boek dat over het leven gaat en waarvan je dus verwachten kunt dat het je brood aanreikt om van te leven.
In de vier evangelies wordt tot zesmaal toe over het broodmirakel verteld, méér dan over welk ander wonder ook. Het is zowat het enige Jezus-
feit waarover de vierde evangelist, Johannes, tot in wiskundig detail overeenstemt met zijn collega’s: vijf broden en twee vissen voor vijfduizend mensen; en nog eens twaalf korven op overschot.
Mirakelverhalen zijn voor veel mensen evenveel argumenten voor de ongeloofwaardigheid van Bijbel en evangelie. Dat kan toch gewoon allemaal niet waar zijn. Dat is toch tegennatuurlijk: tegen de natuur, dus tegen de Schepper van de natuur.
Voor de Schrift zelf, voor de gewijde schrijvers en hun talloze goede lezers, goede verstaanders zijn wonderverhalen evenveel argumenten voor de wondere kracht die zich manifesteert in de Heer Jezus. Wie is Hij toch dat zelfs het brood Hem gehoorzaamt?
Het is ons niet te doen om de discussie over de al dan niet historische juistheid, de al dan niet psychologische betekenis van het verhaalde
gebeuren. Gelovig de Schrift lezen blijft nooit steken in de vraag wat er echt gebeurd is. Wie gelovig omgaat met de Schrift, geeft zich over aan het verhaal, wetend dat daarin God aan het werk is, dat Hij op die manier hier en nu bij ons aan het werk is. De volle realiteit van het mirakel is niet een naakt gebeuren op zich, maar het aan-het-werk-zijn van God bij de mensen.
Reden te meer om zich toe te vertrouwen aan het verhaal, als voor een keertje Johannes het tot in detail eens is met de synoptici. Er moet iets wonderbaarlijks gebeurd zijn rondom Jezus, zijn leerlingen, mensen en brood. Dat staat buiten alle discussie.
De boodschap is duidelijk: Gods zorg voor de elementaire behoeften van de mens; Jezus’ bekommernis voor de noden van het lichaam, niet alleen het zieke, ook het gezonde hongerende lichaam; en Jezus’ opdracht aan zijn kerk om zich in te zetten voor de materiële, de lichamelijke menselijke nood, iets te doen bijvoorbeeld aan de honger in de wereld.
Dit is niet in tegenspraak met de voorrang die hetzelfde evangelie geeft aan de ‘tweede’ honger, de existentiële, de geestelijke levenshonger. De mens leeft niet van brood alleen, maar van het woord uit Gods mond.
Toen de Heer Jezus zelf eens honger kreeg, serieuze honger na veertig dagen vasten in de woestijn, wees Hij met deze evangelische slagzin de bekoorder terecht die Hem als oplossing voor zijn hongerige maag een klein broodwondertje had gesuggereerd.
Er is zeker geen tegenspraak; er is wel een opvallende tegenstelling tussen beide verhalen.
De mensen hier zijn Jezus gevolgd om te luisteren naar de woorden uit zijn mond. Hun tweede honger is er zodanig door aangescherpt en ook gestild dat ze hun eerste hong& als het ware vergeten zijn. Zo kan het mensen inderdaad gebeuren dat ze gewoonweg vergeten te eten of te drinken in het vuur van hun geestelijke arbeid of genot.
Trouwens, honger van een half dagje luisteren is toch heel wat minder erg dan van veertig dagen vasten in de woestijn. En het argument van de leerlingen dat er gemakkelijk genoeg brood te kopen valt in de dorpen van de omgeving, is valabel genoeg om niet per se te gaan uitpakken met een ergens overbodig of onnodig luxe wonder.
En toch zegt Jezus de Heer tot zijn vrienden: je moet aan deze mensen hier en nu te eten geven van de overvloed waarvoor Ik zal zorgen.
Tegenstellingen in het evangelie drukken steeds aanvulling uit: complementariteit der dingen, in casu: van wat wij de eerste en de tweede honger hebben genoemd.
De tweede honger blijft altijd de voorrang hebben, maar de eerste honger mag daarom niet worden weggepraat. De tweede honger blijft de eerste zorg van de Heer die Hij primordiaal aan zijn kerk toevertrouwt; maar niet zonder een reële bekommernis voor de lege maag, voor het hunkerende lichaam.

Het ene en het andere gaan hand in hand. Je kunt niet zeggen: mij interesseert alleen de ziel van het kind. Evenmin kun je zeggen: zielzorg laat ik over aan specialisten ter zake.
De kerk kan niet zeggen: wij krijgen de honger in de wereld niet opgelost; de Heer zelf kon het niet ondanks zijn broodwonderen. Dus doen wij er maar niets aan. Bidden en preken, ziedaar onze taak. Evenmin kan de wereld zeggen dat het probleem van de honger goed op te lossen is met enkel een perfecte organisatie wereldwijd, zonder dat daarbij komen: wat liefde en vriendschap, gemeenschap en vrede, de zegen van de Schepper over het werk van onze handen.
Daarom lezen wij in dit verhaal dat de mensen niet mochten worden weggestuurd om brood te gaan kopen in de nabij liggende dorpen. Hun samen-zijn rondom het Woord is zó belangrijk dat het ook nodig blijft rondom het Brood. Eucharistie wordt aangekondigd. Daarom lezen wij in dit verhaal dat Hij de broden nam, ze zegende en ze aan zijn vrienden gaf om ze uit te delen.
Eucharistie wordt aangekondigd. Dat wil niet zeggen dat eucharistie en broodwonder hetzelfde zijn. Hier gaat het echt over eten en honger stillen. Bij eucharistie, ook bij de eerste eucharistie van het Laatste Avondmaal, gaat het over eredienst, liturgie met brood als teken, sacrament.
Wij mogen het niet zó verstaan dat het broodwonderverhaal enkel maar over een vergeestelijkt gebeuren gaat: een christendom dat de honger niet uit de wereld kan helpen en daarom alles meteen maar sublimeert.
Wij moeten het zó verstaan: dat het eucharistisch teken, het nemen, het zegenen, het breken van het Brood, door de Heer gesteld en door ons herhaald, alleen maar het grootste wonder wordt dat het wil zijn — telkens opnieuw, als wij dan eten van dit Brood en drinken uit deze Beker. Op voorwaarde dat én ópdat wij, rechtvaardig en barmhartig, liefdevol en vredevol in de mensenwereld van de concrete zorg staan: om ook op die geheel tastbare manier de dood des Heren te verkondigen — dat Hij zijn leven gaf uit liefde voor de minsten van de zijnen — totdat Hij komt.

Negentiende zondag door het jaarA — Mt 14,2 2-33
Het evangelie heeft zijn eigen logica. Een tijdje lang kan die samenvallen met de menselijke. Maar dan gaat het onherroepelijk een andere kant uit. Dan gaat het evangelie eerder onlogisch klinken in mensenoren. Als wij op dat moment de nodige aandacht en fijngevoeligheid ervoor kunnen opbrengen, kunnen wij allicht de eigen interne logica van het evangelie ontdekken en zó doordringen tot de kern van de boodschap en uitmonden bij de ontmoeting met de levende Heer.
Het is logisch dat vissers bang zijn in de storm en dat zij zich vastklampen aan de betrekkelijke zekerheid van hun boot. Zij zullen dat meer dan eens meemaken in hun visserscarrière, maar zij raken er niet aan gewend.
Het is logisch dat diezelfde vissers nog des te heviger opschrikken, als in deze natuurlijke chaossituatie zich daarenboven iets buiten-natuurlijks voordoet: iemand die zomaar over de stormende golven wandelt. Nog meer klampen zij zich vast aan hun relatief veilige vaartuigje om zich toch enigszins te verschansen tegen dit naderende extra onheil.
Maar die stem in de verte, die moeten zij toch kennen. Aan die stem moeten zij toch horen dat het niet over een spook gaat. Die stem zegt toch op duidelijk herkenbare `paasioon: ‘Vrees niet, Ik ben het.’
Als het evangelie een sprookje was met een happy end, dan zou het logisch zijn dat in de boot nu de angst verdwijnt. Maar het evangelie is geen sprookje. Het is een verhaal van mensen van vlees en bloed die door een verre schimmenstem niet zomaar hun vrees te boven komen, hun zekerheid herwinnen. Integendeel.
En toch wordt plots datzelfde evangelieverhaal van angst en ontzetting een verhaal van ontmoeting, een verhaal van eigen, goddelijke logica: geloof, heet dat.
Petrus treedt op het voorplan, zoals zo vaak in het evangelie ook hier als de exponent, de incarnatie van beginnend geloof: hevig, zelfverzekerd; aarzelend, wisselvallig; door Jezus zelf weldra steenrots genoemd, maar duidelijk is hij dat nog niet in déze branding.
Als ik hier ben, zo redeneert Petrus (of is het pure reflex?), in de boot, in de storm, in elk geval angstig maar toch nog betrekkelijk veilig, en ginds is mijn Heer, mijn Meester (Hij heeft het zelf gezegd: vrees niet, Ik ben
168
169

het), dan heeft het geen zin in het schip te blijven en mijn angst achter die schijnzekerheid te verbergen; dan heeft het geen zin te blijven speculeren over de al dan niet waarachtigheid van de verschijning. Maar dan moet ik eruit: alles riskeren, de relatieve zekerheden opgeven, de boot uit, overboord gaan: over de boorden, over de grenzen van de menselijke zekerheden heen in het water springen, erin duiken. Want de kennismaking met nog méér, met alle mogelijke menselijke angst is wellicht tegelijk de kennismaking met bevrijding, met redding, met geloof zoals dat heet. Ik moet mij wagen aan de ontmoeting in en ondanks de storm en de volle zee.
Als Gij, Jezus, geen extra bedreiging zijt, maar de veilige thuishaven voor het rusteloze zoeken van getormenteerde mensen, dan moet dat totaal onlogische, onmogelijke ‘over-water-wandelen’ mogelijk worden ook voor mij. In uw nabijheid, Heer, moet het veilig zijn ook in de hevigste storm.
Zo hyper-logisch-gelovig moet Petrus’ redenering of reflex geweest zijn. Maar dat verandert zodra hij de eerste stap buiten de boot heeft gezet. Dan valt hij terug op zichzelf, op eigen kracht of liever eigen onmacht, op eigen zekerheid of liever onzekerheid. Dan lijkt hem zijn onderneming niets meer dan enkel roekeloze en naïeve overmoed.
En de mensen die in het schip verbaasd zitten toe te kijken, de leerlingen, de christenen van eigen-droge-voeten-vóór-alles, schudden logisch en meewarig het hoofd: zie hoe hij daar zijn leven zinloos op het spel zet en onze wijze raad in de wind slaat.
De bange man in de golven echter wiens overmoed zopas totaal omge-
slagen is in wanhoop, zet toch nog één stap, de laatste van de evangelische logica, de eerste van het volle geloof, met die ene zin van onvoor-
waardelijke overgave: ‘Heer, red mij!’: het enige smeekgebed, ten volle die naam waardig, als nood en angst en twijfel hun hoogtepunt hebben bereikt. ‘Heer, red mij!’
Op dat eigenste moment voelt hij de hand, voelt hij zich opgetild, weer de boot in. Op dat moment bedaart de storm.
Het evangelie is een verhaal van eigen logica. Niet echter als wij het vanuit de verte lezen als een wazig verhaal van vreemde en twijfelachtige
gebeurtenissen die zich twintig eeuwen geleden hebben afgespeeld: dan is het evangelie hoogstens een stichtend sprookje voor kinderen. De eigen,
de goddelijke logica van het evangelie krijgt voor ons betekenis, wordt boodschap en ontmoeting, als wij er ons eigen levensverhaal in willen herkennen, onze eigen dagelijkse en levenslange zoektocht naar de zin van ons bestaan, naar geloof, naar God.
Mijn levensboot, mijn dagelijkse dag, mijn veiligheid. Mijn nacht, mijn storm, mijn angst.
Mijn krampachtig vastklampen aan betrekkelijke zekerheden. Mijn spook, mijn schim, mijn glimp van misschien wel God. Mijn verre Heer die tot mij zegt: ‘Vrees niet, Ik ben het.’ Mijn duik in de diepte, mijn risico levensgroot.
Mijn overmoed, mijn twijfel, mijn wanhoop.
Uiteindelijk ook mijn gebed: ‘Heer, red mij!’
Dan voel ik de hand. Dan weet ik mij opgetild, de boot weer in. Dan bedaart in mijn hart de storm.
Omdat het over Petrus gaat, de eerste van de leerlingen, de steenrots, de vaste grond, het fundament van de kerk, leert dit evangelie ons ook dat deze weg van duiken in de diepte en• roepen ‘red mij’ noodzakelijkerwijze de levensweg is van al wie zich geroepen weet tot verantwoordelijkheid en dienstbaarheid ten overstaan van medemensen, wanneer en waar dan ook.
Wie zelf iets te betekenen wil hebben voor zoekende en angstige medemensen in de storm, moet ook zelf het schijnbaar veilige schip durven te verlaten voor het risico van de ontmoeting te water.
Als je het aandurft je eigen voeten nat te laten worden, je handen vuil te maken, dan ga je vanzelf minder piekeren over eigen veiligheid. Dan zul je het evengoed aandurven zelf de hand uit te steken, reikend naar twijfelende zoekers die in hun wanhoop dreigen te verzinken.
Wie zelf eigen hulpeloosheid en onmacht heeft ervaren en onderkend, wie in volle overgave en vertrouwen die enkele woorden durft te stamelen `Heer, red mij!’: die alleen is ertoe in staat en durft het aan zijn zusters en broeders de boot weer in te helpen, zodat ook voor hen de storm bedaart.

Twintigste zondag door het jaarA — Mt 15,21-28
Het geloof van de vreemde moeder mag dan al één voorbeeld uit de duizend zijn, de houding van Jezus lijkt ons op zijn minst verwonderlijk: een mens in nood afwijzen om ogenschijnlijk racistische redenen; en het dan nog hardop zeggen ook: jij-hond, jij-niet-kind-van-mijn-Vader! Zoiets is toch niet denkbaar. Daar moeten andere motieven achter schuilgaan.
Is het niet veeleer een pedagogie van de Meester die zo optreedt om zijn leerlingen deze demonstratie van groot geloof te laten meemaken, of om de vrouw zelf die de weg van de beproeving zo ver laat leiden? Pedagogie, zoals je ze toepast bij vragende, zeurende kinderen: eerst hun gezeur negeren; daarna hen wegsturen — om er vanaf te zijn; vervolgens hen afsnauwen: dat is niets voor jullie; om ten slotte toch toe te geven aan hun blijvend aandringen.
Pedagogie, zoals de Heer ze blijkbaar elders ook heeft toegepast, bijvoorbeeld bij de Samaritaanse vrouw. Maar die ontmoeting staat opgetekend bij Johannes, de pedagoog. En daar is het Jezus die aandringt en blijft aandringen totdat de vrouw schoorvoetend toegeeft. Het verhaal van de Kananese lezen wij bij de verhaler Matteiis. En hier is het de vrouw die aandringt, totdat de Heer uiteindelijk zwicht.
Die zogezegde pedagogie voldoet ons geenszins als verklaring voor de gedraging van de Heer Jezus. Het is niet meer dan een vergezochte speculatie om het toch maar te kunnen uitleggen. Misschien dat wij Jezus in de verhalen over zijn doen en laten te zeer bekijken als een statische figuur, een stenen beeld, een afgewerkt product, een computer uit de hemel neergehaald: je vragen steek je erin en de afgeronde antwoorden rollen er zo uit.
Allicht zien wij de Heer te weinig in zijn volle menselijkheid, als mens tussen de mensen. Zo heeft God Hem gewild: groeiend zoals mensen
groeien (het lijkt bijna oneerbiedig te veronderstellen dat de mens naar Gods hart, Jezus, nog zou kunnen, nog zou moeten groeien), door zijn mens-zijn-met-de-mensen heen groeiende naar het volkomen besef en het volle bewustzijn van zijn taak, van zijn zending, van de wil van zijn Vader, van de bedoelingen van het Koninkrijk.
Sinds het begin van zijn loopbaan is zijn vaste leefregel: de komst van het Koninkrijk, de wil van de Vader. Sinds het begin betreft zijn zending: het uitverkoren volk, Israël.
De kleine excursie naar de streek van Tyrus en Sidon, naar niet-Joods, naai- heidens gebied, naar het buitenland, is als een welkome korte vakantie. Het werd in Galilea even te veel en te spannend. Hier kan Jezus op adem komen. Hier kent niemand Hem. Een pauze, een rustpunt, even niet de volle druk van het dagelijkse bezig zijn in woord en daad. Mensen hebben dat nodig. Jezus heeft dat nodig.
Maar de moeder uit den vreemde, niet op vakantie is zij, maar lijdende met haar zieke kind, komt even deze plannen verstoren. En de Heer lijkt niet goed te weten wat te doen. Hij lijkt in beraad met zichzelf. Hij zwijgt, zegt het verhaal, zwijgen om te luisteren en te denken (of menen wij dat de mens Jezus nooit heeft nagedacht?): wat zou de Vader nu van Mij verwachten of wat zou Hij voorhebben met deze situatie buiten het scenario?
Zwijgend bidden, of noem het denkend luisteren, laat mensen toe om veel te ontdekken. Ook de Heg heeft op die manier, groeienderwijze, de wil van de Vader ontdekt. En de Hem omringende mensen, wat zij doen en zeggen, hebben die meebepaald. Ook nu bepalen zij mee wat er te gebeuren staat: zijn leerlingen, maar vooral de vrouw in nood die een beroep op Hem doet, die bij Hem aandringt en blijft aandringen.
Niet het argument van de leerlingen werkt verhelderend: stuur haar heen, Heer, dan zijn wij ervan af. Geef toe of geef niet toe aan haar verzoek, zoals jijzelf best vindt; maar wat is nu zo’n onbelangrijk mirakeltje, als wij daarmee onze vakantie kunnen redden?
`Ervan afgeraken’ is niet het juiste argument om de opdracht, tot nu toe begrepen als ‘ga naar de kinderen van mijn uitverkoren volk, Israël’, als dusdanig te blijven begrijpen of te doorbreken in zijn enge begrenzing en te verruimen wereldwijd, indachtig het woord van de profeet: ‘Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volken.’ Zich zo simpel ontdoen van de moeilijkheden van het moment kan geen vruchtbare bijdrage zijn aan de komst van het Rijk.
Dan komt de episode van de honden en de kruimeltjes. En die werkt wel verhelderend.
172
173

De honden zijn de heidenen, zo noemden de joden ze; de kinderen zijn de uitverkorenen voor wie het brood op de tafel bestemd is: het heil van het Rijk. En de kruimeltjes?
Dat heeft de heidense ontdekt — in haar geloof. Zij die van hond-zijn alles afweet, zij getuigt: de kruimeltjes zijn de tekenen van overvloed, de
tekenen van brood te veel en genoeg voor iedereen. Er is genoeg voor iedereen.
Op die manier leert de heidense, de ongelovige of beter de niet-erkende gelovige aan de erkende, de officiële gelovige, de jood, de christen, de ker-
kelijke, welke de enige ware toegang is tot het Rijk: het geloof, maar dan welbegrepen wat zijn essentie betreft:
niet dat van de vele waarheden die men kent en de talloze geboden die
men onderhoudt, maar het geloof van het aangehouden en vertrouwvolle smeekgebed;
het geloof, even nederig als koppig;
het geloof dat zich op geen privilege beroept, dat zich geen enkel recht toe-eigent om het brood van de goddelijke vriendschap op te eisen, maar dat instinctief, intuïtief de ondoorgrondelijke en boordevolle goedheid van God heeft erkend: er zal genoeg zijn voor iedereen, dus ook voor mij.
Wat moet Jezus blij geweest zijn met de ontmoeting met zoveel geloof! De mens Jezus, bepaald en getekend als Hij was door zijn achtergrond en cultuur, is al luisterende de stem van de Vader in dit gebeuren gaan ont-
dekken. Eeuwenoude grenzen van cultuur en religie worden doorbroken. Heidenen en joden elkaars gelijken aan Gods tafel.
Zoals het voor de Heer een stap vooruit was in het groeiende bewust-
zijn van zijn roeping, zo is dit gebeuren een les voor ons en voor de tijden.
Het Rijk, de dienst van God, de kerk, het geloof: geen starre, statische overtuiging van één enkel groot gelijk, geen waarheidsmonopolie; maar een dynamische, vitale ontplooiing van ‘leven’ en ‘samen-leven’: ook
de buitenstaanders, de vreemden horen erbij — al staat die gedachte vaak haaks op onze overtuiging en vooral op onze belangen.
Wie weet of God mij niets te zeggen heeft in die ene mens die ik mijd als de pest en voortdurend opzettelijk voorbijloop. Niet-christenen kunnen soms van ons verstarde christendom opnieuw een stukje levend evan gelie maken zodat wij, christenen, het brood opnieuw gaan breken en delen: met elkaar en met hen. En waar christenen vaak door al hun vastgeroeste praktijken en plichtplegingen de smaak en de eetlust voor het overvloedige brood op de tafel hebben verloren, daar kunnen vreemdelingen, anderen dan wijzelf, ons die smaak teruggeven door hun waardering voor
de kruimeltjes.
Wat moet de Heer blij geweest zijn met zo’n groot geloof! Laten wij delen in zijn vreugde, als het gaat over geloof dat leeft waar wij het niet bevroeden of onderkennen. Laten wij delen in dit geloof: dat wij het brood waarderen, de kruimels waarderen; dat wij grenzen doorbreken en scheidingsmuren slopen, in ons hart, in de wereld van zoveel barrières tussen mensen; dat wij ons plaatsje vinden aan de grote tafel en dat wij aan niemand misgunnen of ontzeggen om naast ons aan te zitten. Want er is genoeg, plaats en brood genoeg voor iedereen.
Eenentwintigste zondag door het jaarA — Mt 16,13-20
Toen paus Benedictus XVI in augustus 2005 zijn eerste buitenlandse reis maakte, met name naar Keulen om er de wereldjongerenbijeenkomst bij te wonen, was dit het evangelie van de afsluitende eucharistieviering.
Het leek wel met opzet voor de gelegenheid uitgekozen, met als expliciete bedoeling de evangelische grondslagen van het pauselijk ambt en gezag in het volle licht te plaatsen. Maar het was gewoon het evangelie van de dag, net zoals vandaag de eenentwintigste zondag door het jaar van de
A-cyclus.
Dat neemt niet weg dat het een prachtig evangelie was voor deze gele-
genheid, maar zeker niet in de eerste plaats om alle aandacht te vestigen op pauselijke macht ten overstaan van die massa vooral jongere christenen
daar aanwezig.
Want dit evangelie gaat zoals steeds in de eerste plaats over Jezus de
Heer en niet over Petrus bijvoorbeeld, ook al treedt die nog zo opvallend
op het voorplan.
In het evangelie is het in de eerste plaats om Jezus te doen; ook hier,
als Hij aan zijn leerlingen, de twaalf van toen in Caesarea Filippi, de hon-
174
r7C

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x