Jaar C, Zesde zondag van Pasen

Zesde paaszondag – Johannes 14, 23-29 (Hnd 15 – Apk 21)

Het vijftiende hoofdstuk van de Handelingen van de Apostelen, waaruit vandaag de eerste lezing komt, is het keerpunt van het hele boek. Tot nu toe stond Petrus centraal. Hier wordt hij voor het laatst vernoemd. Vanaf nu gaat alle aandacht uit naar Paulus. In wat voorafgaat ging het vooral over mensen uit het jodendom die christen waren geworden, maar tegelijk hun oude geloof trouw bleven. Verderop treden in hoofdzaak niet-joden, christengelovige heidenen op het voorplan. Tot nog toe speelden de gebeurtenissen zich af in Jeruzalem. In wat volgt wordt het centrum van de jonge kerk naar elders verlegd: de kerk trekt de wijde wereld in. Het oude Jeruzalem maakt plaats voor het nieuwe Jeruzalem, wereldwijd.

Zo is meteen de band gelegd met de tweede lezing, genomen uit de Apocalyps, het Boek der Openbaring. Letterlijk betekent apocalyps: het wegnemen van de sluier die het aangezicht van de uitverkorenen bedekt. Apocalyps is het Bijbelboek dat in visionaire beelden de sluier wegneemt die over de toekomst hangt.

Het beeldverhaal dat Johannes vandaag vertelt, maakt duidelijk dat het oude niet zonder meer door het nieuwe vervangen, maar wel overgenomen en geïntegreerd wordt. De oude stadsmuren met hun twaalf poorten, op heel de wereld gericht om zich te openen en te sluiten, ze zijn meer dan sterk genoeg om de binnenkant te blijven beveiligen met de veiligheid van de traditie, van het eerste verbond, van Gods contract met de twaalf stammen van Israël: ‘Ik zal uw God, gij zult mijn volk zijn.’ Maar er zijn nu nieuwe fundamenten onder gelegd, onder elke van de twaalf poorten een nieuwe grondsteen. Die nieuwe grondslagen zijn de twaalf apostelen, de getuigen van de levende Heer. En precies omdat Hij verrezen is, omdat Hij leeft, is de oude tempel niet meer nodig. Hij is afgebroken en in drie dagen is er een nieuwe gebouwd: niet langer een stenen bouwsel, maar de levende God zelf, de Levende onder ons, het Lam dat de Goede Herder is.

Handelingen hoofdstuk 15 gaat over dat scharnier in de prille kerkgeschiedenis. Het oude wordt niet weggeworpen en afgedaan als waardeloos. Het nieuwe wordt niet ingehaald als iets dat zomaar uit de lucht komt vallen en op niets steunt. Oud en nieuw worden onderling geïntegreerd. Traditie en vernieuwing, ze zijn elkaars veiligheid, elkaars grond en fundament, als ze in elkaar verankerd blijven in de naam van Jezus, de Levende.

Handelingen hoofdstuk 15 verhaalt hoe een conflict dat is ontstaan tussen oud en nieuw, een conflict tussen traditie en vernieuwing wordt bezworen en opgelost. Een futiliteit, een banaliteit, zo zeggen wij: over verplichte besnijdenis en verboden voedsel. Maar wat hierachter schuilgaat, is heel wat essentiëler. Moeten nieuwe christengelovige heidenen al dan niet ook jood worden, met alle eisen daaraan verbonden?

In wat voorgelezen werd gaat het over het discussiepunt (verzen 1 en 2) en over de uitslag ervan en de besluitvorming (verzen 22-29). Het verloop van de discussie (verzen 3-21) is weggelaten. Nochtans werpt het zijn licht op het geheel. Daar wordt bijvoorbeeld gezegd dat er heel wat over en weer werd gediscussieerd: pro en contra dus. Er wordt niet vermeld wie er allemaal aan het woord geweest zijn, tenzij de beide zwaargewichten net voor de besluitvorming, Petrus en Jakobus.

Ik kan me moeilijk voorstellen dat er in de tussentijd geen andere interventies zouden zijn geweest, bijvoorbeeld van een nuchtere Thomas, een wat naïeve Filippus, een alerte Andreas, een vurige Paulus zelf. Maar ik kan mij helemaal niet indenken dat een zwaargewicht van het woord zoals Johannes niet tussenbeide zou zijn gekomen. Mijn christelijke verbeelding durft aan te nemen dat hij misschien wel bij deze gelegenheid voor de dag is gekomen met zijn toekomstvisioen over het nieuwe Jeruzalem waarin het oude is geïntegreerd als de veilige omkadering, steunend op gloednieuwe en oersterke fundamenten. En Johannes’ conclusie zal wel expliciet geweest zijn dat er maar één zaak essentieel is in welke discussie dan ook: Jezus, de Levende, de wetsgetrouwe die tegelijk vrij genoeg was om een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken in die wet.

Even iets over de andere zwaargewichten, Petrus en Jakobus. Petrus kennen wij. De Jakobus van dienst is niet de broer van Johannes, want die is – tweede martelaar van de jonge kerk – dan al door Herodes omgebracht. Het gaat ook niet over de andere apostel met dezelfde naam. Volgens ingewijden wordt die, buiten het bekende apostellijstje om, nergens nog vernoemd.

Onze Jakobus hier wordt elders de broeder van de Heer genoemd. Eerst tegenstander van Jezus’ leer zijnde is hij nu een belangrijke leidende figuur van de christengemeente in Jeruzalem, de schrijver ook van de nieuwtestamentische brief.

Men denkt dat hij het is die Paulus in de bekende kerugmapassage van Kor 15 met name noemt, als hij de personen opsomt aan wie de verrezen Heer verschenen is: Kefas, de twaalf, meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. Vervolgens, zegt Paulus, is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. Daaruit wordt ook afgeleid dat Jakobus geen lid is van de twaalf, maar wel behoort tot de apostelen in de brede zin van het woord. In onze dagen zou men zeggen: geen pastoor daarom, maar zeker wel een pastor. Men heeft er wat al te gemakkelijk Paulus’ medestander van gemaakt en diens oppositie tegen de primus inter pares, Simon Petrus. En in dit verhaal ziet men daar een bevestiging van: Petrus en Jakobus, twee opponenten in deze discussie. Petrus zal dan wel de conservatief geweest zijn die de traditie verdedigt, terwijl de progressief Jakobus, in Paulus’ spoor, voor vernieuwing opteert… Merkwaardig genoeg is veeleer het tegendeel waar. Het is toch Petrus die radicaal voor de heidenen opkomt. Mensen toch, zegt hij, en nu citeer ik letterlijk: ‘Waarom wilt gij God tarten door de leerlingen een juk op de hals te leggen dat noch onze vaderen, noch wij in staat waren te dragen?’

Maar Jakobus is toch zo conservatief niet, als hij met zijn sociale, menselijke argumentatie aantreedt. Trouwens, die overbelaste en versleten tegenstelling van onze tijd tussen conservatief en progressief dekt helemaal niet de lading van het gezegende samengaan van traditiegetrouwheid en voortdurende vernieuwing van binnenuit.

Akkoord met Simon, zegt Jakobus, wij mogen de heidenen geen onnodige lasten opleggen, maar wij mogen wel van hen verwachten dat zij zich aanpassen aan de gewoonten van de joden-christenen, om die niet uit te dagen of te choqueren waar dat voor niets nodig is. En zo wordt ook besloten in het allereerste conciliedecreet van onze kerkgeschiedenis.

Het is niet ondenkbaar dat ook Johannes nog hier en daar een korte interventie gemaakt heeft om telkens weer te herinneren aan wat essentieel is in het debat: Jezus, de levende Heer; en wat die in casu zou hebben gedacht en gedaan; of beter nog: wat Hij heeft gezegd. Als geen ander herinnert Johannes zich Jezus’ woorden bij het afscheid. Over de broederliefde bijvoorbeeld: ‘Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij elkaar liefhebben’; ‘Wie Mij liefheeft, zal mijn Woord onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen bij hem zijn.’ Mensen die van elkaar houden, leggen de ander geen onnodige lasten op. Integendeel, zij nemen de lasten van anderen op eigen schouders. Om de liefde Gods, zegt Johannes.

Of voor vrede bijvoorbeeld als het godsgeschenk bij uitstek. ‘Mijn vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u.’ Mensen die in vrede met elkaar leven, dringen zich niet op, dagen de ander niet uit. Integendeel, zij passen zich graag aan, aan de maatschappij en haar cultuur waar zij te gast zijn en waarvan zij deel mogen uitmaken. In vredesnaam, zegt Johannes.

En als men dan helemaal uitgediscussieerd is, dan blijft het nog altijd een beetje de vraag of de gevonden oplossing wel de goede is en daadwerkelijk een uitkomst zal bieden aan de problematiek. Je moet je niet ongerust maken, zegt Johannes. Dat heeft de Heer zelf toch ook met evenveel woorden gezegd: ‘Laat je hart niet verontrust of kleinmoedig worden. De Helper, de Heilige Geest die mijn Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal je alles leren en je alles in herinnering brengen wat Ik je gezegd heb.’

Het ziet ernaar uit dat dit inderdaad het geval is geweest, dat Jezus’ Geest over hen is neergedaald, hun de oplossing heeft helpen vinden en er zich garant voor gesteld heeft. Om de liefde Gods, in vredesnaam! ‘De Heilige Geest en wij hebben besloten…’ zo wordt het eerste conciliedecreet plechtig ingeleid.

Om de liefde Gods, in vredesnaam. Wat heeft de Geest nog een hoop werk te doen in onze dagen… Maar dat Hij zal komen, daaraan hoeven wij niet te twijfelen. Jezus heeft het ons toegezegd, toen Hijzelf afscheid nam en ten hemel is opgevaren. Wij hoeven niet verontrust of kleinmoedig te zijn. Weldra wordt het Pinksteren.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x