Jaar C, Vasten V

Vijfde zondag in de veertigdagentijd

Niet zo lang geleden was er in de nieuwsmedia heel wat te doen rondom de lotgevallen van een landgenoot, die in een ver oosters land wegens een misdrijf in de gevangenis zat te wachten op een mogelijk doodvonnis en doodstraf. Een journalist, die zich ter plaatse had begeven, berichtte hoe hij er getuige was geweest van een executie door onthoofding, midden op een publieke markt: een gebeuren zoals bij ons een banaal verkeersongeluk waar toeschouwers als vanzelf samendrommen, luidruchtig hun commentaar geven, en dan weer hun eigen wegen gaan alsof er niets gebeurd is. En de stadsdiensten komen en de ‘zaken’ worden opgeruimd en de plaats wordt gepoetst.

Sensatiezucht is in vele culturen een courant maatschappelijk fenomeen. Sensatielust is een diep ingewortelde menselijke trek. Misschien is het deels daarom dat het evangelie van vandaag mensen meer dan anders in de ban houdt. Het toneel dat zich voor onze ogen afspeelt, is ook wel wat sensationeel te noemen in de zin van onze anekdote aan het begin.

De Bijbelwetenschap is het erover eens dat deze evangelietekst oorspronkelijk niet van Johannes is, dat hij niet tot het vierde evangelie behoort. De exegeten doen hiermee helemaal geen afbreuk aan de authenticiteit van het verhaal en van de boodschap. Maar ze hebben goede redenen om deze perikoop te duiden als een latere (zij het nog zeer vroege) toevoeging aan de originele tekst. Nergens anders, zo stellen ze vast, heeft Johannes het over schriftgeleerden en Farizeeën, in die combinatie. Nergens anders vertelt hij wat wij een valstrikverhaal kunnen noemen (“om Hem op de proef te stellen”). En taal en stijl zijn veel meer die van de synoptici dan die van Johannes.

Nogmaals, dit doet niets ter zake wat de waarachtigheid van het gebeuren en de boodschap betreft. Wel kunnen enkele vragen gesteld worden die mogelijkerwijze interessant zijn voor een beter begrijpen van de tekst. Zo bijvoorbeeld: waarom is deze dan uiteindelijk wél in het vierde evangelie opgenomen en niet bij de synoptici, bij Lucas bijvoorbeeld, toch de kampioen van de barmhartigheid?

Wij gaan die kwestie hier niet oplossen. Maar wij kunnen niet anders dan vaststellen dat de eerste kerk, die toch de eindredacteur was van de Schrift, het Nieuwe Testament, de evangelies, geaarzeld heeft, moeite heeft gehad met het verhaal. Moesten ze het opnemen of niet opnemen? Het opnemen en het zo voor de eeuwen en de toekomst van de kerk bewaren? Of het niet opnemen, het weglaten en zo het risico lopen dat de overlevering ervan in het gedrang zou komen? Wat was dan hun probleem? Waar had de kerk het moeilijk mee? Met de inhoud, de boodschap? Dat geloof ik niet. Maar wel met de mogelijke misverstanden die zouden ontstaan, met de mogelijke verwarring die zou rijzen, met de mogelijk verkeerde interpretatie die toehoorders en lezers eraan zouden geven.

Hoe moet men inderdaad dit verhaal van grenzeloze goddelijke barmhartigheid verstaan, tegelijk met de radicaliteit van een Bergrede die stelt dat wie enkel nog maar een vrouw bekijkt en begeert, echtbreuk pleegt in zijn hart? Hoe kan men deze beide uitersten met elkaar verzoenen zonder geweld te doen aan het ene of het andere?

Vragen doen nieuwe vragen rijzen. Maar zo is onze problematiek van “waarom staat die tekst hier en niet daar” wel een aanleiding om de boodschap zelf beter te situeren en te begrijpen. Namelijk dat de christelijke radicaliteit erin bestaat tegelijk kwaad en zonde ernstig te nemen, en evenzeer verzoening en barmhartigheid als fundamentele geloofs- en levenswaarden te aanvaarden en te beleven.

Zo staat het in de laatste regel van ons verhaal: Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.

Maar vooraleer Jezus deze boodschap aan de vrouw kan doorgeven, moet Hij eerst heel wat stoornissen en hinderpalen uit de weg ruimen. En daar gaat ons verhaal in feite over. Want het eigenlijke onderwerp van het gebeuren, het uitgangspunt is op het eerste gezicht niet de vrouw, niet overspel en de bestraffing ervan, niet Jezus’ daad van barmhartigheid en verzoening. Dat alles komt erbij. In de eerste plaats gaat het om de valstrik.

Normaal gesproken had er toch ook een man in het spel moeten zijn; daar is geen sprake van. Normaal gesproken zouden er getuigen geweest moeten zijn, als die zich al als voyeurs wilden laten kennen; ook daar is geen sprake van. De plaats van het gebeuren, de tempel van Jeruzalem zelf, werd door de Romeinse bezetter goed gesurveilleerd; en dergelijke lynchpartijen waren door Rome verboden, zo beschaafd was men toen ook al. Dus kan er van een mogelijke steniging ter plekke al evenmin sprake zijn. Er is met andere woorden geen proces geweest. Er is geen oordeel geveld.

Dit alles bij elkaar genomen geeft duidelijk aan dat het gaat over een geënsceneerde aanklacht door aanklagers die er enkel op uit waren voor de Heer Jezus een valstrik te spannen. De vrouw kan best een overspelige geweest zijn, maar dat interesseert hen amper. Om Hem is het hun te doen. Hij kan nergens heen; Hij kan noch ja, noch neen zeggen. Zegt Hij ja, dan gaat Hij in tegen de Romeinse wet en tegen zijn eigen prediking. Zegt Hij neen, dan is Hij tegen Mozes en neemt Hij de zonde tegen Gods eigenste gebod niet ernstig.

Maar Hij zegt ja noch neen. Hij zwijgt. Zoals Hij dat vaker doet in vergelijkbare omstandigheden. Hij weigert, dat wil zeggen: God weigert het gesprek met wie geen eerlijke vragen stelt. Achter dat in het zand schrijven moet men niet meer zoeken dan het plastisch beklemtonen van deze weigering, van dit zwijgen. En als zijn stilte dan een beetje door hun arrogante aandrang heen tot hun onkwetsbare ego is doorgedrongen, dan worden ze meteen ontmaskerd. Ze druipen af: de hindernissen zijn opgeruimd; het voorwendsel is ontkracht. Nu kan de zondige vrouw haar centrale plaats op de scène van het gebeuren innemen en zich geconfronteerd weten zowel met de ernst van eigen kwaad en zonde als met de overvloedige barmhartigheid van de Heer, haar toegezegd.

Een boeiend stukje evangelie inderdaad. Zoals eerder gezegd worden mensen aangelokt door sensatie. En daarom sympathiseren wij graag met dat arme meisje dat ten prooi is aan die geile jagers op menselijk wild. Maar vooral zijn wij content dat Jezus die officiële hoge pieten eens goed te grazen heeft genomen. Dan stelt zich echter onvermijdelijk ook de vraag, of wij nog wel enigermate verrast of aangegrepen worden door die onverwachte laatste zin. Of vinden wij die ook al zo gewoon en zo normaal als wat ook?

Allicht moeten wij vanwege onze reële betrokkenheid bij de evangelische boodschap (daar is het toch steeds om te doen), zelf ook een aantal hindernissen opruimen: de stenen die wij voortdurend in handen houden om op elkaar te mikken en te gooien, in het zand laten vallen; afdruipen uit ons grote gelijk en onze betweterigheid; onszelf laten ontmaskeren wat het gemakkelijke van ons aanmatigend oordeel over alles en iedereen betreft; om dan met onze zonde en ons kwaad, onze kleinheid en ons onvermogen oog in oog te staan met de God van heiligheid en erbarmen.

Zich bekeren, heet dit dan alweer, net zoals bij gelegenheid van beide vorige zondagen in deze veertigdagentijd. Vandaag krijgt het woordje bekering deze dubbele klemtoon:

dat wij een juist oordeel leren vormen over goed en kwaad; dat wij radicaal kiezen voor het goede en consequent het kwade afwijzen, het kwade veroordelen; én tegelijk dat wij niet oordelen over het hart van de mens, ook niet over het hart van de schuldige, de door wetten van mensen veroordeelde mens, en zeker niet over het hart en de levenskansen van de door woorden, vermoedens, veronderstellingen en verdachtmakingen bezwaarde en uitgestoten mens die meer dan wie ook is toevertrouwd aan onze barmhartigheid.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x