Jaar C, Vasten I

De eerste zondag van de veertigdagentijd – de Vasten – jaar C

Wat is psychologie? Als wetenschap is psychologie de studie van het menselijk gedrag, het gedrag van een bewust-levend levend-wezen.

De gedragingen van ieder levend wezen, ook het onbewuste, zijn fundamenteel gekenmerkt en geconditioneerd door de betrachting eigen noden en behoeften in te vullen, allereerst en alomvattend de nood en de behoefte aan het leven zelf. Al wat leeft, doet wat kan en moet worden gedaan om te leven en in leven te blijven. Enerzijds is dat: deelnemen aan het leven van het heelal, van de schepping. Anderzijds is dat: zich verdedigen wanneer het eigen leven door wie of wat dan ook bedreigd wordt.

Dat is zo op het biologische vlak, tot het laagste niveau van dierlijk leven toe. Daar en alom geldt de wet van de jungle: eten om in leven te blijven en zorgen dat je zelf niet opgegeten wordt.

Hogere diersoorten hebben met de mens gemeen dat deze zelfde levensbehoefte een sociale dimensie krijgt. Leven kan niet zonder het diepe contact met soortgenoten. Tegelijk is er de behoefte om in leven te blijven, dat wil zeggen: zichzelf te blijven en niet door de ander, de soortgenoot opgeslorpt te worden, niet door de maatschappij te worden opgeslokt.

Eigen aan de mens is de existentiële levensbehoefte, dat wil zeggen: eten aan het leven zelf en niet door het leven verslonden worden; de droom van de eeuwige jeugd; leven zonder grenzen, leven over de dood heen. Dit gaat een religieuze dimensie vertonen waar het vertaald wordt in: behoefte aan een hemel, behoefte aan eeuwigheid.

Het voorafgaande is in de kleinste notendop een cursus biologie, sociologie, psychologie, filosofie. En dan zijn wij weg voor ontelbare bladzijden wetenschap.

En dan is daar één enkel Bijbels verhaal dat in alle eenvoud en kracht, in alle plasticiteit en soberheid, voor het begripsvermogen van eenieder die ernaar wil luisteren, deze wetenschap verkondigt en onderricht aangaande de levende mens, want: aangaande de Mensenzoon, de Levende bij uitstek.

In ons verhaal vinden wij dezelfde gradatie terug: biologisch, sociaal, existentieel. Bij Mattëus, noemen wij het de oudere versie, gaat het van steen naar stad, naar wereld. Dat wil zeggen: van brood naar samenleving, naar het leven in zijn totaliteit, want een mens moet eten om te overleven; een mens heeft behoefte aan welstand en comfort om samen te leven; en ten derde: een mens wil om in leven te blijven, de dood beheersen en overstijgen.

Lucas heeft deze volgorde bewust gewijzigd. Heel zijn evangelie is één opgang naar Jeruzalem. Daarom plaatst hij ook hier Jeruzalem als laatste, als ultieme fase. Maar wij kunnen niet anders dan zijn Jeruzalem ook verstaan als het Jeruzalem van de eindtijd, het hemelse Jeruzalem. Zijn climax wordt dan: een steen, een hele wereld, hemel en aarde; biologische nood, sociale, existentiële nood. De mens, de Mensenzoon is geroepen om te leven.

En wat is nu de bekoring? De uitdaging van dat leven? Het verhaal van de bekoringen in de woestijn is onlosmakelijk verbonden met het net voorafgaande verhaal van de Doop in de Jordaan. De betekenis van Jezus’ Doopsel is dubbel. Door zich te laten dopen wil de Heer Jezus bevestigen dat Hij de volle taak en de volle last van het mens-zijn op zich neemt. Maar de stem uit de hemel en de Geest die op Hem neerdaalt, zijn er de getuigen van dat deze Levende, deze Mens de veelgeliefde Zoon is van God.

En dan komt de bekoring. De satan, de bekoorder komt de mens uitdagen: als Gij de Zoon van God zijt… dan kun je toch vanzelf je menselijke conditie naar je hand zetten, zoals je dat wilt, en doen wat nodig is, gelijk wat, om je menselijke noden te lenigen.

Als je dus honger hebt, dan is het toch niet meer dan normaal dat je al het mogelijke doet om aan eten te komen, om ook van stenen brood te maken. En toch weet iedere mens diep in zijn hart dat dit niet zo is, dat je niet gelijk wat doet om aan eten te komen, bijvoorbeeld niet ten koste van eten en leven van de ander, niet door simpelweg de ander op te eten. De mens leeft niet van brood alleen, zegt Jezus. Er leeft in Mij een nood die alle honger te boven gaat: de liefde van mijn Vader gestand te doen. En dat drijft Mij ertoe mijn honger weleens te vergeten en vijfduizend hongerige mensen te eten te geven op de heuvels bij het meer.

Dan opnieuw de bekoorder.

Als je dus de behoefte ervaart aan de nodige welstand en comfort in de samenleving, dan is het toch niet meer dan normaal dat je alles doet wat in je macht ligt om die ook te verwerven, die koninkrijken van de aarde, al moet je ze bij de duivel zelf halen.

En toch weet iedereen diep in zijn hart dat je niet gelijk wat doet om in de maatschappij mee te tellen: niet koste wat het kost, bijvoorbeeld niet ten koste van de eigenheid van de ander, niet door de ander zijn kleine koninkrijk te ontnemen.

Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen, zegt Jezus. Er leeft in Mij een onstuitbaar verlangen dat alle zucht naar eer en welstand overstijgt: de liefde van mijn Vader te beantwoorden met dienstbaarheid aan mijn zusters en broeders. En daarom laat Ik eigen Naam en aanzien voor wat ze zijn, en neem tollenaars en zondaars die uit de samenleving gestoten zijn, weer op in de kring van de levenden.

Dat is toch niet meer dan normaal, argumenteert ten slotte de uitdager, dat je er alles, maar dan ook alles voor overhebt om je leven te leven naar eigen wet en wil: je gezondheid en je lichaam, je jeugd en je jaren. Er zijn geen grenzen of taboes; er is enkel de eigen vrijheid. Zelfs je eigen dood, die moet je zelf in handen houden.

Diep in zijn hart weet de mens dat hij niet zomaar met zijn leven speelt: zowel zelf-overschatting als zelf-onderschatting (zelf-moord) is letterlijk ‘uit den boze’ en dat zijn geen tekenen van scheppingsgetrouwheid en godsvertrouwen.

Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen, zegt Jezus. Er leeft in Mij een gedrevenheid die iedere andere levensdrang overstijgt: de liefde van mijn Vader tot het uiterste getrouw te zijn. En daarom ga Ik zieken genezen, doden opwekken en uiteindelijk mijn kruis aanvaarden als de consequentie van mijn trouw en het ultieme getuigenis van de levende God van liefde.

Jezus’ bekoringen in de woestijn: het zijn de beproevingen en uitdagingen waarvoor iedere mens zijn leven lang komt te staan. Maar wij zijn niet enkel de bekoorde, de uitgedaagde aan Jezus’ kant; wij zijn zelf ook de bekoorder, de uitdager. Het gesprek tussen de satan en Jezus, datzelfde gesprek voeren wij met Hem: als Gij de Zoon van God zijt… waarom laat Gij dan honger en armoede bestaan? Waarom laat Gij onrecht en geweld toe?

Waarom garandeert Gij mensen geen welstand en vrede, een samenleving zonder zorg? Waarom maakt God geen einde aan alle mensenleed en -lijden? Ons christendom zou toch zo mooi zijn zonder kruis!

Mogen wij in deze veertigdagentijd, in onze veertig dagen woestijn opnieuw wat ‘weerstand’ opdoen tegen de drang om enkel maar voor onszelf te kiezen en God daarbij de rol toe te bedelen van verre assistent in geval van nood en oorzaak van wat niet naar onze wens verloopt. Mogen wij in deze veertigdagentijd van hart tot hart met de Heer het stille gesprek voeren dat ons de les van de liefde leert.

Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen. Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x