Jaar C, Tweede zondag van Pasen

Tweede paaszondag – Johannes 20,19-31

Hoe graag zouden wij, gelovigen van nu, meemaken en aan den lijve ondervinden wat Jezus’ eerste leerlingen hebben ervaren, bijvoorbeeld op de avond van de eerste dag van de week.

Geloven, geloven in de verrijzenis, zou dan geen probleem meer zijn, zoals het er nu een is: levensgroot, voor ons nu, zoals voor Thomas toen. Zijn probleem werd een week later opgelost, het onze echter niet.

En de Heer zegt dan wel: zalig zij die niet zien en toch geloven. Dat is zowel een troost als een aansporing. Maar het maakt het niet gemakkelijker.

Als wij die niet gezien hebben, niet zien en niet zullen zien allicht, zolang wij mensen zijn op aarde, als wij dan toch willen geloven, wat moeten wij dan doen? Wat kúnnen wij doen om op te klimmen, zo hoog mogelijk, zo dicht mogelijk tot bij de verrijzeniservaring van de leerlingen, bijvoorbeeld op de avond van de eerste dag van de week?

Wij vieren eucharistie. En wij weten – in geloof – dat het een bevoorrecht moment en gebeuren is van ontmoeting met de levende Heer. Dan wordt de vraag: Wat moeten wij doen, wat kúnnen wij doen om onze eucharistieviering – hier en nu – op te tillen tot een waarachtige verrijzenisbeleving, zoals die van Jezus’ leerlingen op de avond van Pasen? Hoe wordt voor ons dit stukje paasevangelie werkelijkheid in elke, in deze eucharistieviering? Hoe maken wij van deze liturgische viering een authentieke paasbelevenis, zoals op de avond van de eerste dag van de week?

In het evangelie dat wij dus hier en nu aan ons moeten laten gebeuren, vernemen wij dat de leerlingen van Jezus samen bij elkaar waren: een samenzijn van ‘leerlingen’. Ook wij zijn samen. Wij zijn samen met wie wij samen zijn. Maar het hoort te zijn: een samenzijn van ‘leerlingen’, van leerlingen van de Heer Jezus.

Leerlingen, dat wil zeggen: mensen die weten dat ze iets te leren hebben, die beseffen dat ze nog maar weinig weten, weinig weten van de geheimen van het leven, van het mysterie van God, Schepper en Vader van liefde. Maar leerlingen willen te weten komen. Ze zijn leerbereid, leergierig, leerzaam, gehoor-zaam.

‘Het zegt mij zo weinig, die Schrift, die symbolen, die hele liturgie, die eucharistie.’ Zo hoor je jongere en oudere gelovigen zich vaak een alibi verschaffen om niet deel te nemen aan het samenzijn van de leerlingen. Maar leerling zijn wil zeggen: zich laten gezeggen door het woord van de Schriften, door de sacramenten van de kerk: in de dienst treden van het Woord, in de dienst van de tafel.

Ook het verhaal van vandaag op zich heeft ons slechts iets te vertellen, op voorwaarde dat wij er als leerlingen naar luisteren: leerbereid, leergierig, leerzaam, gehoor-zaam. Het verhaal vertelt dat de deuren van de verblijfplaats gesloten waren uit vrees voor de joden. Dat klinkt wat verwijtend naar de leerlingen toe: bangeriken die ze zijn. In onze oren klinkt dat vrij negatief. Wij zijn toch mensen van open deuren en vensters op heel de wereld? Onze kerk doet al vaak zo gettoachtig aan. Wij zijn bevreesd voor niets of niemand, want de wereld is aan de durvers.

Nochtans hoort het dat je de deuren sluit als je eucharistie gaat vieren: dat je het huis van de samenkomst afsluit voor de drukte van het dagelijkse doen van mensen, voor de herinneringen aan gisteren, voor de zorgen en de attracties van morgen. Je kunt dat alles niet uit je hart sluiten: het is er nu eenmaal. Het behoort tot je mens-zijn: al wat je bekommert, bezighoudt, lokt en bekoort. Maar toch, uit vrees voor wat van buiten op ons afkomt en een hinderpaal dreigt te zijn voor de ontmoeting met de levende Heer, sluiten wij de deuren af, willen wij de aandacht van ons hart daar helemaal op toespitsen en al wat niet echt belangrijk is het zwijgen opleggen.

Nogal wat mensen worden aangesproken door enthousiaste massavieringen, in de openlucht bijvoorbeeld. Dat kan zeer meeslepend zijn en geestdrift opwekken, maar het maakt het er niet gemakkelijker op om de absoluut noodzakelijke sfeer en momenten van stilte te creëren, nodig om de aanwezigheid van de Levende te ervaren en zijn stem te herkennen. Daarom moet dit ook veeleer een uitzondering zijn. Het kan zeker geen stelregel zijn voor ons regelmatig, dagelijks, wekelijks gehoorzaam antwoord aan Jezus’ oproep: doe dit om Mij te gedenken.

Voor onze zondagse liturgie geldt dat wij, zoals Jezus ‘eerste leerlingen, samenkomen in de daartoe geëigende verblijfplaats en er de deuren van afsluiten. Want door open deuren waait lawaai van de straat binnen. Door gesloten deuren heen komt Jezus in hun, in ons midden te staan en zegt: ‘Vrede zij u’.

Vrede zij u. In het taalgebruik van de Bijbel en van Israël is dit een heel gewone begroeting, de meest eenvoudige groet van mens tot mens, van iemand die ergens binnenkomt en zegt: ‘Goedendag, allemaal!’ De simpele begroeting als inleiding tot een even gewone ontmoeting van mensen met mensen, is teken geworden van de verheven en altijddurende ontmoeting van de Levende met de leerling: vrede zij u.

Als wij straks elkaar met deze woorden aanspreken, laat het dan zijn in het volle paasgeloof in de waarde van een waarachtige ontmoeting tussen mensen onderling – waar of hoe dan ook, maar vóór alles in de eucharistieviering – als blijvend teken van Jezus in hun, ons midden.

Vrede zij u. Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde, zijn gekwetste handen, zijn doorboorde hart. Verrijzenis veegt het kruis niet weg. Verrijzenis bevestigt en bestendigt het kruis.

Als wij straks – het wolkje wierook achterna – opkijken naar het kruis van de Verrezene, laten wij dan onze aandacht en liefde edelmoedig toezeggen en toedragen aan alle gewonde handen en doorstoken harten van mensen, tegelijk in het besef van het noodzakelijkerwijze daaraan verbonden engagement: dat het onszelf vuile handen zal kosten en een weggeschonken hart.

En het paasverhaal gaat verder: over de vreugde van de leerlingen, toen zij de Heer zagen en over onze vreugde, omdat wij in brood en wijn, hostie en beker de tekenen van zijn Lichaam en Bloed, Jezus in ons midden weten en Hem levende zien met de ogen van ons gelovige hart.

Het verhaal heeft het over de zending van de leerlingen, onze zending: als wij straks in vrede heengaan, ieder naar zijn eigen taak, ingaande op de eigen roeping.

Over de gave van de Geest gaat het. Zend over dit brood en deze wijn de kracht van uw Heilige Geest. Zend, Vader, de Trooster en Helper in ons midden, uw Heilige Geest. Wek de gezindheid van Jezus Christus in ons hart. Sterk ons vertrouwen. Verruim onze liefde. Raak ons met het vuur van uw Geest en breng ons elkaar nabij.

Het verhaal over de vergeving van de zonden, over onze ‘macht’ om te verzoenen, onze vergevingsgezindheid. Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt, ontferm U over ons… gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.

Het verhaal heeft het ten slotte over de de belijdenis, de belijdenis van die ene leerling die het het moeilijkste van allen had om te geloven in de aanwezigheid van de Levende. In al zijn kernachtigheid is zijn belijdenis tegelijk een acclamatie van aanbidding en lofprijzing: mijn Heer en mijn God.

Moge deze geloofsbelijdenis aanstonds een waarachtige weerklank zijn van onze hulde en dankbaarheid, onze overgave en ons vertrouwen.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x