Jaar C, Sacramentsdag

Sacramentsdag – Lucas 9,11-17

Witte Donderdag is de dag bij uitstek van de eucharistie. Als zodanig heeft Sacramentsdag daar heel veel mee te maken. Toch is Sacramentsdag zeker geen duplicaat van Witte Donderdag.

Witte Donderdag is logischerwijze ingeschakeld in de grote gedachtenisviering van het levenseinde van de Heer Jezus: de vooravond van zijn lijden. Liturgisch is het de vooravond van het Triduum Sacrum, de heilige driedaagse van Goede Vrijdag, paaszaterdag en paaszondag: van kruispasen, grafpasen en verrijzenispasen.

Sacramentsdag is ontstaan als en verder uitgegroeid tot een devotie-feest van sacramentele vroomheid. Het staat buiten het heilshistorische verband dat de liturgie in hoofdzaak kenmerkt. Niet dat die vroomheid geen stevige gronden had: zij was het gevolg van en werd gevolgd door bezinning en theologie over Jezus’ blijvende aanwezigheid in ons midden onder de tekenen van Brood en Wijn, zoals Hij ons dat als zijn eigenste testament heeft nagelaten. ‘Doe dit om Mij te gedenken.’

In een kerk van twintig eeuwen is Sacramentsdag niet direct wat je een oud feest noemt. Toch is achthonderd jaar ook al een hele tijd. De oorsprong gaat terug tot rond 1250.

Tussen de jaren 1100 en 1500 kent het christelijke West-Europa politiek een periode van relatieve rust, na een millennium van veroveringen, stabilisering en destabilisering door de invallen van de Noormannen. Het accent ligt dan ook niet meer zo overwegend op de actie. Ook op religieus gebied doet zich dat gevoelen en de rustige contemplatie krijgt en grijpt zijn kans.

In de Nederlanden is het Limburgs-Luikse land het eerste waar dit doorgebroken is. In het bisdom Luik was er vanaf de tiende eeuw een bijzondere devotie tot de heilige Drie-eenheid tot stand gekomen met een kerkelijke feestdag als gevolg.

In hetzelfde bisdom vindt de openbare verering van het heilig Sacrament haar oorsprong. De rol die hierbij gespeeld is door de begenadigde heilige Juliana van Mont-Cornillon, is niet weg te denken uit onze liturgische en devotionele kerkgeschiedenis.

In het begin van de dertiende eeuw had Juliana van Luik een visioen. Zij zag een kleine zwarte vlek in een volle maan. De volle maan was het symbool van de kerk en de zwarte vlek wees op het ontbreken van een feest: het feest van het allerheiligste Sacrament.

Zo’n visioen is echter geen losstaand feit. Het is de bevestiging van wat leeft onder brede lagen van het kerkvolk. Na heel wat tegenstand wist Juliana haar bisschop ertoe te bewegen in 1246 dit feest in te stellen. En toen enkele jaren later een Luikse aartsdiaken tot paus werd verkozen, schreef deze Urbanus IV het sacramentsfeest voor voor de gehele kerk.

De dominicanen zijn dan de grote ijveraars geweest voor de verspreiding en de verdere uitbouw van het sacramentsfeest qua inhoud en vorm. Dit verklaart waarom hun eigen Thomas van Aquino nu nog vrij algemeen genoemd wordt als de auteur van de teksten voor het officie en het misformulier.

Wat daar ook van zij, in ieder geval getuigen deze teksten van rijke theologische inzichten en catechetische bekommernissen. Zij benaderen en beschrijven het mysterie met goedgekozen en goed afgewogen woorden en beelden.

Wij vernoemen in de eerste plaats de oersterke sequentia ‘Lauda Sion Salvatorem’, die in tegenstelling tot bijvoorbeeld het ‘Dies irae’, de door Vaticanum II doorgevoerde selectie binnen dit genre overleefd heeft.

Dit gregoriaanse ‘volks’lied dankt zijn eeuwenlange populariteit mede aan de inschakeling ervan in de sacramentsprocessie. Denk bijvoorbeeld aan de dagelijkse namiddagplechtigheid in Lourdes waarbij de zieken op de esplanade gezegend worden met het allerheiligste Sacrament.

Zoals dat wel meer het geval is, zijn de Magnificatantifonen van de eerste vespers van de vooravond ‘0 quam suavis est’ en de tweede vespers op de avond zelf ‘0 sacrum convivium’ theologisch heel interessant. Vooral de tweede zijn boeiend. Graag staan wij er even bij stil.

Allicht is het niet eenvoudig, maar het loont de moeite om uit te gaan van de oorspronkelijke tekst: in het Latijn dus.

0 sacrum convivium in quo Christus sumitur,
recolitur memoria passionis eius,
mens impletur gratia,
et futurae gloriae nobis pignus datur.

Doet zo’n mondjevol Latijn niet reeds sowieso echt liturgisch en theologisch aan, zeker voor harten vol heimwee naar vroegere tijden van kerkelijke hoogconjunctuur?

Proberen wij dit nu even te vertalen: eerst heel letterlijk om zo dicht mogelijk hij de oorspronkelijke tekst te blijven, en dan enkele keren na elkaar in wat vlotter en moderner Nederlands.

O sacrum convivium in quo Christus sumitur
– 0 geheiligd gastmaal waarin Christus wordt genuttigd;
recolitur memoria passionis eius
– waarin wordt hernieuwd de gedachtenis aan zijn lijden;
mens impletur gratia
– waarin de ziel wordt vervuld met genade
et futurae gloriae nobis pignus datur
-en van de komende glorie ons het onderpand wordt gegeven.

0 heilig feestmaal waarbij Christus onze spijs en drank is,
zijn lijden ons in gedachten komt,
de genade bezit neemt van ons hart,
en de hemel ons wordt toegezegd.
De maaltijd des Heren:
gedachtenis van zijn leven, lijden en sterven,
voedsel voor ons geloof vandaag,
teken van zijn wederkomst in heerlijkheid.
En ten slotte: een feestmaal dat ook liefdesoffer is;
een offer dat ook genadegave is;
genade die voorafbeelding is van het volle geluk.

Dit is goede en actuele theologie, vooral als je het woordje ‘nobis’ – ons dat slechts éénmaal voorkomt aan het einde van de tekst, goed leest en dynamisch integreert in het geheel; als je het bij wijze van spreken bij ieder vers laat aansluiten, zoals wij het trouwens in de vertalingen uitdrukkelijk gedaan hebben.

O heilig feestmaal waarbij Christus ‘onze’ spijs en drank is, zijn lijden ‘ons’ in gedachten komt, de genade bezit neemt van ‘ons’ hart, en de hemel ‘ons’ wordt toegezegd.

Op die manier immers wordt het gemeenschapskarakter, dat een essentie is van liturgie vieren in het algemeen en van eucharistie in het bijzonder, sterk benadrukt, ook wat meer specifiek de devotionele kant betreft, de verering, de aanbidding van het Allerheiligste. Devotie is nooit louter individueel, maar steeds betrokken op de gemeenschap van de heiligen, zoals de christen als individu ook steeds daarop betrokken is.

Het ‘nobis’, ‘wij’ staat voor gemeenschap en staat voor eenheid, vereniging, communio. Omdat het Brood één is, zegt Paulus, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene Brood.

De derde tekst die wij ter sprake brengen, is de vesperhymne ‘Pánge lingua’. De beide slotstrofen vormen het traditioneel zo welbekende ‘Tantum ergo sacramentum veneremur cernui’, het lied dat in vroeger tijd zo vaak gezongen werd op het moment dat de zegen met het Allerheiligste gegeven werd tijdens de aanbiddingsplechtigheid, met de suggestieve naam: lof ter ere van het heilig Sacrament.

Op zich is deze tekst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk goed te vertalen. In Zingt Jubilate nummer 731 staat een lied dat geschreven is als een alternatief. Het is een wittedonderdaglied dat daar goed functioneert aan het einde van de overbrenging van de geconsacreerde hosties naar het rustaltaar.

Zonder meer is het ook een geschikt gezang voor sacramentsprocessie, sacramentszegen, Sacramentsdag.

De avond voor zijn dood,
brak de Heer het Brood.
Voor alle eeuwen
een teken ons gegeven
van leven.
Heilig teken / sacrament van de verrijzenis,
God die blijvend in ons midden is.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x